Positiebepaling van de Liturgische Kring

“Onze leer stemt overeen met wat wij in de eucharistie doen en de viering van de eucharistie bevestigt wat wij leren.” Irenaeus, Tegen de ketterijen, IV, 18, 5   Inleiding In 2021 bestaat de Liturgische Kring 100 jaar. We kijken terug op een boeiende geschiedenis, waarin we de fasen weerspiegeld zien die de Liturgische Beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk heeft doorgemaakt. In al die fasen heeft de Liturgische Kring haar partijtje mee geblazen en heeft zij in het theologisch debat, in woord en geschrift, veel betekend voor kerk en theologie. We hebben dan ook alle reden om ons honderdjarig bestaan dankbaar te vieren. Maar we realiseren ons ook dat er sinds 1921 veel veranderd is in de kerk, in de cultuur en in de liturgiewetenschap. Het is goed om ons daarvan rekenschap te geven en ons te bezinnen op de vraag waar we nu, een eeuw later, staan. Dit document wil daaraan een bijdrage leveren door eerst terug te kijken naar waar we vandaan komen, om vervolgens te proberen tot een positiebepaling te komen met het oog op de toekomst. Fasen in de Liturgische Beweging Oriëntatie op de anglicana Het begon met de enigszins romantisch gekleurde hervormd-katholieke fase. Geïnspireerd door de eerste voorzitter, prof. G. Van der Leeuw (1890-1950) en door invloedrijke theologen als W.H. Creutzberg (1875-1940) en W.H. van de Pol (1897-1987), werd er vooral naar de Anglicana gekeken, een katholieke kerk die door de hervorming is heengegaan: daar moest de vernieuwing van de Hervormde kerkdienst vandaan komen. Daarom ijverde de Kring voor meer nadruk op het sacramenteel karakter van de eredienst en wilde men de eenzijdige nadruk op de prediking corrigeren door haar te zien in de context van kerk, sacrament en ambt. Ook was er, theoretisch en praktisch, veel aandacht voor de getijden en de kerkmuziek. De Kring telde dan ook vanaf het begin, naast theologen, ook kerkmusici onder haar leden. Belangrijke vrucht van gezamenlijke studie was het in 1934 verschenen Handboek voor de Eredienst, waarin de ideeën van de Kring werden gebundeld met het oog op de praktijk. Ook verscheen in 1941 de uitgave Orde van den eeredienst voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, een mini-dienstboek met orden van dienst, liturgische formulieren en gebeden. Terug naar de bronnen Na de tweede wereldoorlog neemt de Hervormde Kerk zelf haar verantwoordelijkheid voor de liturgie op zich met de oprichting van de Raad voor de Eredienst. In samenwerking met de Liturgische Kring start de Raad de uitgave van het tijdschrift Kerk en Eredienst, dat als doelstelling heeft herstel van de eredienst in ‘catholiek-gereformeerde zin’. Dat de Kring niet helemaal op hetzelfde spoor zat als de Raad blijkt uit zijn beginselverklaring, gepubliceerd in de eerste jaargang (1946) van genoemd tijdschrift. Daarin wordt gesproken over het ‘hervormd-catholieke’ karakter van de eredienst. Een veelzeggend verschil! In de geschiedenis van de Kring breekt een nieuwe fase aan, door Rudolf Boon ‘de historische’ genoemd, omdat men zich ging toeleggen op de liturgiegeschiedenis. Men wilde terug tot de bronnen van de hervormde eredienst. Tijdens het voorzitterschap van de kerkhistoricus prof. J.N. Bakhuizen van den Brink (1896-1987) werden Luther, Calvijn en Bucer bestudeerd. Maar ook de voor-reformatorische bronnen, met name de patres, kwamen aan de orde. Een belangrijke rol speelde daarbij de begaafde ds J.M. Gerritsen (1908- 1962). Een vrucht van deze studie was het in 1961 verschenen Rapport over het Dienstboek-1955, bedoeld als een hervormd-katholiek antwoord op het in de ogen van de Kring veel te eenzijdig gereformeerde Dienstboek. De oecumene in zicht Intussen was de derde fase aangebroken, die men de oecumenische zou kunnen noemen. De agenda werd steeds meer afgestemd op wat er in de kerken op liturgisch gebied gaande was. Er ontstond een nauwe samenwerking met de Prof. dr. G. Van der Leeuwstichting en de gereformeerde Werkgroep voor Liturgie (onder leiding van prof. G. Lammens (1923-1985). Ook volgde men nauwlettend de ontwikkelingen in de Romana (Vaticanum II). Er was grote aandacht voor de joodse wortels van de eredienst (R. Boon, 1920-2014), terwijl ook de spannende vraag wat de liturgie nog betekenen kan in een geseculariseerde cultuur niet ontlopen werd. Maar men bleef vasthouden aan een katholieke visie op de liturgie. Nieuwe ontwikkelingen Inmiddels zijn we in een fase beland die nauwelijks met één woord getypeerd kan worden. De Liturgische Kring is een weinig zichtbaar onderdeel geworden van een uitgebreid liturgisch netwerk. Ze is van trendsetter trendvolger geworden. In zijn poging tot een hernieuwde positiebepaling (1995) ziet de toenmalige voorzitter Paul Oskamp drie functies voor de Liturgische Kring weggelegd: gezamenlijke studie, feed back op elkaars liturgische praktijk en een waakhondfunctie ten aanzien ontwikkelingen op liturgisch gebied. De laatste jaren ligt het accent op het bestuderen en kritisch volgen van nieuwe ontwikkelingen. Er zijn themajaren geweest, b.v. over deel I en II van het Dienstboek-een proeve, inculturatie en de plaats van het kind in de eredienst. Er is een seminar georganiseerd naar aanleiding van de stelling van M. Barnard, dat in onze postmoderne cultuur geen sprake meer kan zijn van een normatieve en vormvaste liturgie (2005). Er werden schrijvers van boeken uitgenodigd, zowel katholiek getint (M. Ploeger over eucharistische ecclesiologie) als hervormd-gereformeerd (G. Immink, Het heilige gebeurt) en evangelicaal (Evert van de Poll over zijn boek Samen in de naam van Jezus). En recentelijk is uitvoerig aandacht besteed aan het in 2013 verschenen Liedboek. Uit deze programmering blijkt dat de Kring van onderwerp naar onderwerp gaat, al naar gelang de actuele ontwikkelingen (contextualiteit, bricolageliturgie, kerksluiting, geloofsgetuigen, nieuwe vormen van kerkmuziek, etc.). De oorspronkelijke hervormd-katholieke koers is niet meer dominant, er is meer ruimte gekomen voor pluriformiteit. Zijn we daarmee op de goede weg? Of wint ook in de Liturgische Kring de overtuiging terrein dat we ‘de liturgische beweging voorbij’ zijn (M. Barnard)? Maar zijn we dan nog trouw aan onze oorsprong? Kortom, het is tijd om onze positie opnieuw te bepalen. Daartoe richten wij ons eerst op de recente ontwikkeling van de liturgiewetenschap. Bijbel, ritualiteit, kerk Wat betreft de wetenschappelijk-methodische benadering van de liturgie kan men – grof gezegd – in de recente Nederlandse protestantse traditie twee uitersten onderscheiden: enerzijds (sinds ongeveer 1970) een benadering vanuit de bijbelse theologie (Amsterdamse School, J.P. Boendermaker, D. Monshouwer) en anderzijds (sinds ongeveer 1995) een benadering van de liturgie vanuit haar cultureel-antropologische context c.q. de algemene ritualiteit (M. Barnard). In het eerste geval ‘wordt de liturgie dicht op het bijbelse verhaal gebonden’, aldus de fraaie typering van M. Barnard (‘Liturgiek in Mokum’, in Theologie in Mokum, 94). Boendermaker schrijft daarover: ‘Er is een heel grote verwantschap tussen Bijbel en liturgie. De Bijbel zelf heeft grotendeels een liturgische structuur … maar heeft onze liturgie nu nog een bijbelse structuur? Dat zal ons een voortdurende zorg moeten zijn’ (Drie maal drie is negen, 15). De bijbelse theologie fungeert hier dus als norm en kritische instantie voor de liturgie, waarvan de kernwoorden zijn: gedenken en vieren, kyrië en gloria, Pesach en Pasen. In het tweede geval vormt de antropologische en culturele context het uitgangspunt. Liturgie ontstaat altijd in wisselwerking met een culturele context. Ze kan worden omschreven als het geheel van christelijke riten en symbolen, zoals dat vorm krijgt in een bepaalde – in ons geval: postmoderne – cultuur. Op grond van deze omschrijving stelt M. Barnard dat we aan het begin van de 21e eeuw aan de Liturgische Beweging – in feite een product van de moderniteit – voorbij zijn. Op formule gebracht: de liturgica typica (de normatieve en vormvaste liturgie van de Liturgische Beweging) heeft aan het begin van de 21e eeuw plaats moeten maken voor de liturgia condenda (een liturgie die in een specifieke context ontstaat). Voor beide benaderingen is veel te zeggen: de Schrift is de norm van en de kritische instantie tegenover de liturgie – en moet dat blijven. Maar tegelijk is de liturgie ook een historisch gegroeid en cultureel bepaald ritueel. Wat echter in beide benaderingen ontbreekt is de kerk als de primaire context van de liturgie. Een bijbels-theologische benadering van de liturgie kan ecclesiologisch gezien gemakkelijk in de lucht blijven hangen, terwijl in een benadering vanuit de ritualiteit de kerk helemaal niet in beeld lijkt te komen. Daarom kiezen wij voor een ‘derde weg’: een benadering vanuit de ecclesiologie, waarbij we de beide andere benaderingen niet uit het oog willen verliezen. We kiezen voor deze benadering, omdat we in het spoor van de Liturgische Beweging uitgaan van de samenhang tussen liturgie en ecclesiologie: het gaat ons niet om een mooie liturgie, maar om een kerk die gevormd wordt door en leeft uit de liturgie. De notae ecclesiae als notae liturgiae Vooronderstelling bij een hernieuwde bezinning op onze positie is dus de overtuiging dat er een nauwe samenhang bestaat tussen liturgie en ecclesiologie. De liturgie staat weliswaar ook in nauw verband met andere theologische disciplines, zoals kerkgeschiedenis en praktische theologie, maar primair is de samenhang tussen liturgie en ecclesiologie. In de liturgie – in dit document te verstaan als dienst van Schrift en Maaltijd (voortaan ‘eucharistie’ genoemd), – wordt het ware gezicht van de kerk zichtbaar. Dat was de ontdekking van de Liturgische Beweging. Het ging haar om een manier van kerkzijn, die niet geworteld is in dogmatische of confessionele uitspraken, maar in de viering van de liturgie (lex orandi, lex credendi). Je gelooft wat je viert, de kerk is wat ze viert. Het is een grondgedachte van de Vroege Kerk dat de kerk en de eucharistie elkaar bepalen: beide zijn volgens de apostel Paulus gestalten van het ene lichaam van Christus (zie 1 Cor. 10: 17). Door het lichaam van Christus (de eucharistie) te ontvangen wordt de gemeente telkens opnieuw het lichaam van Christus (de kerk): ‘ontvang wat je bent en word wat je ontvangt: het lichaam van Christus’ (Augustinus). Deze eucharistisch-ecclesiologische inzet is naar zijn diepste wezen een inzet bij de christologie: wanneer de kerk de eucharistie viert doet zij dat immers door de dood en de opstanding van haar Hoofd, Christus, te gedenken. Als de liturgie bepalend is voor de ecclesiologie moet daar echter wel aan worden toegevoegd dat die liturgie aan bepaalde voorwaarden behoort te voldoen. Het moet een liturgie zijn die een getrouwe afspiegeling is van het geloof van de apostelen, zoals door de kerk in haar credo beleden. Daarmee is gezegd dat de regel lex orandi, lex credendi ook kan (moet) worden omgedraaid: lex credendi, lex orandi. Anders gezegd: wil de liturgie werkelijk liturgie van de kerk zijn, dan moeten de kenmerken van de kerk zoals die in het credo beleden wordt erin zijn terug te vinden: eenheid, heiligheid, katholiciteit en apostoliciteit. Deze vier notae ecclesiae fungeren dan als parameters waaraan het christelijk karakter van de liturgie kan worden afgelezen. In het nu volgende zal deze stelling nader worden uitgewerkt. Liturgie als expressie van de apostoliciteit van de kerk We beginnen met het vierde kenmerk, de apostoliciteit, omdat de liturgie – zoals gezegd – vóór alles een getrouwe afspiegeling moet zijn van het geloof van de apostelen (Hand.2:42 – waar ‘de didache van de apostelen’ als eerste wordt genoemd!). In de liturgie komt tot uiting dat de kerk in de traditie staat van de apostelen, die op haar beurt weer teruggaat op de profeten. Daarom kan liturgie nooit alleen maar ‘eigentijds’ zijn. Integendeel, de liturgie vieren betekent per definitie in een lange traditie staan, die teruggaat op Jezus, de Gezalfde van Israël, en zijn apostelen. Anders gezegd: een christelijke liturgie is alleen dan christelijk, wanneer zij vasthoudt aan ‘de leer van de apostelen, de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden’ (Hand. 2:42). Dat betekent concreet: in de liturgie worden de blijvende kenmerken zichtbaar van de kerk van de apostelen: het getuigenis van het apostolisch geloof, verkondiging en telkens nieuwe interpretatie van het evangelie, viering van doop en eucharistie, het overdragen van ambtsverantwoordelijkheid, gemeenschap in gebed, liefde en lijden, dienst aan zieken en armen, eenheid van de plaatselijke kerken en uitwisseling van de charismata die de Heer aan ieder gegeven heeft (Limarapport, Ambt, §34). Het apostolisch karakter van de liturgie betekent echter ook dat zij de gemeente herinnert aan haar missionaire (apostolische) roeping, gezonden te zijn in de wereld om in de context van het dagelijks leven in de navolging van Christus haar priesterlijke en profetische taak te volbrengen: Ite, missa est – gaat heen, weet u geroepen tot uw dienst in de wereld. Daarbij is het nodig te bedenken dat de apostelen nooit ophouden leerling te zijn. Dat de leerlingen als apostelen gezonden worden betekent niet dat ze ophouden leerlingen te zijn. Gezonden zijn in de wereld kan gemakkelijk misverstaan worden, als zou de kerk zich boven de wereld moeten of mogen verheffen en haar van bovenaf aanzeggen ‘hoe het zit’ of ‘hoe het moet’. Als de Opgestane zijn leerlingen de wereld in zendt, is dat met de bedoeling dat zij dat Koninkrijk van God proclameren, met vrijmoedigheid maar ook in bescheidenheid. Wat betekent dat voor de liturgische praktijk? Om te beginnen zal het verband met de traditie van de apostelen duidelijk aanwezig en herkenbaar dienen te zijn. Allereerst doordat wekelijks de eucharistie gevierd wordt, zoals het van het begin af aan geweest is, met lofzegging en gebed, onder leiding van een geordineerde ambtsdrager, of, als een wekelijkse viering van de eucharistie niet haalbaar is, door dan tenminste expliciet te verwijzen naar de samenhang van Woord en Sacrament. In de viering van de liturgie putten wij met vreugde uit de bron van de traditie – en proberen we niet steeds opnieuw ‘het wiel uit te vinden’. Het gemak waarmee men grijpt naar ‘eigentijdse” teksten, in plaats van de kerkelijk geijkte, of de vanzelfsprekendheid waarmee liturgische werkgroepen zelf de elementen van de orde van de dienst bij elkaar sprokkelen zou wel eens kunnen wijzen op een zorgwekkende verschraling van het besef van apostoliciteit. (Dit raakt ook aan het onderdeel katholiciteit.) Verder kan de eredienst van de gemeente geen doel in zichzelf zijn. Liturgie is geen ‘religieuze zelfbevrediging’. Liturgie staat ten dienste van de wereld, die dan ook voluit aanwezig mag en moet zijn in de eredienst. De kerkdienst als geheel is al dienst aan de wereld: wanneer de gemeente hartgrondig ‘Kyrië eleison’ roept, de lofzang gaande houdt tegen alle negativiteit en pessimisme in, Goed Nieuws verkondigt tegen alle doemdenken in, voorbede doet voor de wereld en plaatsvervangend de communie met de Eeuwige viert, krijgt die dienstbaarheid aan de wereld gestalte. De dienst aan de wereld begint dus niet pas met de wegzending en zegen. Dan begint wel de dienst in de wereld ofwel de liturgie op straat (Noordmans): dan komt het er op aan, de dienst aan de wereld voort te zetten die in de kerk begonnen is. Liturgie als expressie van de katholiciteit van de kerk.  In de liturgie komt het katholieke karakter van de kerk tot uitdrukking. Wie eraan deelneemt wordt uitgetild boven het eigen kleine bestaan om verbonden te worden met de kerk van alle tijden en alle plaatsen. De liturgie vierende gemeente weet zich in haar lied, in haar voorbede en in de viering van de Maaltijd opgenomen in het wereldwijde netwerk van de communio sanctorum: De liturgie, vooral de viering van de eucharistie, dient als dynamisch paradigma van hoe koinonia er in deze wereldtijd uitziet. In de liturgie ervaart het volk van God gemeenschap met God en verbondenheid met christenen van alle tijden en plaatsen. Zij komen samen met hun leider (presider), verkondigen het goede nieuws, belijden hun geloof, bidden, geven en ontvangen onderricht, brengen een offer van lof en dank, ontvangen het lichaam en bloed van de Heer en worden uitgezonden. (De Kerk – op weg naar een gemeenschappelijke visie, §67). Katholiciteit begint overigens met het besef van de onopgeefbare verbondenheid met Israël. De kerk belijdt immers te geloven in een Joodse Messias en wil leven in navolging van Hem. Een kerk die zich niet met Israël (als notie, wat niet hetzelfde is als ’als natie’!) verbonden weet of, nog erger, zichzelf ziet als ‘het nieuwe Israël’ (en dus als in de plaats gekomen van ‘het oude Israël’, de vervangingsleer ofwel substitutietheologie) ontdoet zich, tot schade van zichzelf, van haar eigen wortels. Katholiciteit betekent voorts verbondenheid met alle andere christenen, van alle culturen en denominaties. De kerk dient zich overal en altijd van die verbondenheid bewust te zijn, wil zij niet sektarisch worden. Wij vieren in verbondenheid met alle heiligen. De liturgie verbindt gelovigen van alle generaties, rassen en culturen, vrouwen en mannen, jongeren en ouderen, levenden en doden. De katholiciteit van de liturgie heeft dus een diachroon aspect (ze verbindt christenen van alle tijden) en een synchroon aspect (ze verbindt christenen van alle plaatsen). De ‘strijdende kerk’ is verbonden met de ‘triomferende kerk’. Tot katholiciteit behoort ook dat men altijd gelooft en viert in meervoud. De verbondenheid met alle heiligen betekent dat het niet primair om mij als gelovig individu en mijn beleving gaat. Dat wil niet zeggen dat geloof niet ook een persoonlijke zaak is, maar de onomkeerbare volgorde is die van gemeente naar gemeentelid: de gemeente is niet een verzameling van gelovige individuen maar omgekeerd ontleen ik mijn geloof aan mijn participeren in de geloofsgemeenschap. Wanneer de kerk in haar liederen ‘ik’ zingt, is dat het ‘ik’ van de gemeente en van daaruit vervolgens ook het ik’ van de gemeenteleden. Wat betekent dat voor de liturgische praktijk? De verbondenheid met Israël betekent dat de Psalmen een onbetwiste plaats in de eredienst verdienen. Hoe zouden wij kunnen vieren in verbondenheid met Israël als wij niet dankbaar putten uit het liedboek van Israël? Een vergelijkbare opmerking kan gemaakt worden over het lezen van de Schriften, waarbij het Oude Testament een prominente plaats in de liturgie inneemt. De verbondenheid met Israël betekent ook dat de kerk trouw is in haar voorbede voor Israël – niet exclusief, de kerk bidt ook voor de Palestijnen en voor de rest van de wereld, maar wel specifiek; evenmin als object van bekering tot het christendom maar veeleer om de vrede voor en vanuit Jeruzalem; en, niet in de laatste plaats, vanuit het besef van schatplichtigheid, dankbaar voor de Schriften en de Messias die wij van en via Israël ontvangen hebben. De verbondenheid met andere christenen, zowel dichtbij als wereldwijd, kan tot uitdrukking worden gebracht in het putten uit liederen uit de wereldkerk. Verder kan hier ook weer de voorbede genoemd worden. In het bijzonder is het goed om in de voorbede te denken aan de vervolgde en onderdrukte kerk, maar uiteraard ook aan al wie om andere redenen, zoals politieke overtuiging, huidskleur, identiteit of ‘geaardheid’ vervolgd en onderdrukt worden (zie ook wat opgemerkt is over apostoliciteit: voorbede als dienst aan en solidariteit met de wereld). De verbondenheid met wie voor ons kwamen en met wie na ons komen houdt enerzijds in dat de kerk respectvol en dankbaar omgaat met en gebruik maakt van wat de traditie van eeuwen (apostoliciteit) heeft voortgebracht en anderzijds open blijft voor vernieuwing. Die vernieuwing dient dan wel in de lijn van de traditie te liggen en aan die traditie iets toe te voegen dat, samen met wat reeds voor handen is, geacht mag worden in staat te zijn de tijden te trotseren. Open en tegelijk kritisch zal de kerk zich verstaan met allerlei oude en nieuwe vormen van ritueel en spiritualiteit. Voortdurend zal zij zich dienen te bezinnen op de cultuur waarin zij zich bevindt en waarvan zij deel uitmaakt en op de vertaalslag die nodig is om de ‘taalbarrière’ tussen kerk en cultuur te overbruggen zonder haar eigenheid te verliezen. Het besef van verantwoordelijkheid voor jongeren en ouderen die ‘ergens naar’ op zoek zijn mag nooit ontbreken. Verstaanbaarheid en toegankelijkheid zijn daarbij van groot belang maar kunnen nooit de enige criteria zijn voor taalgebruik, liedkeuze en stijl van voorgaan. Wel zal steeds inspanning geleverd moeten worden om ook in de liturgie verstaanbaar te zijn, in het vertrouwen op de Geest die immers (Handelingen 2: 1-11) taalgrenzen doorbreekt en mensen bij en tot elkaar brengt. Liturgie als expressie van de heiligheid van de kerk In de liturgie komt de heiligheid van de kerk tot uitdrukking. Zij is de ‘heilige dienst’ waarin de toewijding van hen die door de doop in Christus geheiligd zijn – d.w.z. afgezonderd van de wereld en toegewijd aan God – gestalte krijgt. Heiligheid is echter geen morele categorie, alsof er van ons een vorm van volmaaktheid wordt verwacht; het is allereerst een liturgische categorie. De heiligheid van de kerk komt vóór alles tot uitdrukking in de liturgie waarin het mysterie van het offer van Christus wordt gevierd. ‘Door deel te nemen aan een kerkdienst komen kerkgangers in de invloedssfeer van het heilige te verkeren’ (F.G. Immink). Wat dat betekent voor de beleving van de liturgie heeft Jean-Jacques Suurmond onovertroffen onder woorden gebracht in zijn Eredienstvaardiglezing Hier kiert het licht (2009), waaruit we een aantal kernzinnen citeren: De weg van de liturgie is een vreemde weg, een ontmoeting met de Eeuwige waarin je als Jesaja schroeiend gezuiverd wordt onder het motto ‘Sanctus, sanctus, sanctus’ van de serafiem (…). De weg van de liturgie, zo benadrukt kenner van de mystiek Evelyn Underhill, is de weg van het offer. Die weg stoort, doorkruist onze natuurlijke gang. (…) De liturgie stoort het om zichzelf bezorgde ik en nodigt uit om de weg van het offer te gaan: dat is de weg van de zelfgave, van belangeloze aanbidding. (…) Het offer is wat de ontmoeting met de Ene een ‘mysterium tremendum et fascinans’ (R. Otto) maakt. Je beeft omdat je weet dat je daar niet zonder kleerscheuren vanaf zult komen. Anderzijds word je onweerstaanbaar aangetrokken vanuit de intuïtie dat daar het geheim van het werkelijke leven ligt. (…) Zijn conclusie luidt dan ook: We hebben weer een nieuw besef van het heilige nodig, een dwarse vernieuwingsbeweging die mensen wakker schudt uit hun subjectieve sluimer en verslaafdheid aan emoties, en hen werkelijk serieus neemt. Dit aspect van de liturgie is in protestantse kring nogal eens verwaarloosd. ‘Protestanten dreigen het heilige in de kerkdienst kwijt te raken’ (F.G. Immink). Het heilige, dat voor theologen als G. van der Leeuw het sleutelwoord vormde van de liturgie, wordt in onze geseculariseerde cultuur niet meer verstaan. Het protestantisme is daaraan medeschuldig, omdat het de grens tussen heilig en profaan heeft uitgewist. Het protestantisme, met name het calvinisme, wilde het hele leven heiligen. Daardoor is het besef van het heilige als heilige handeling, heilige ruimte en heilige tijd weggevallen. Maar als alles heilig is, is niets meer heilig en wordt alles profaan. Daarom is het van levensbelang voor de kerk om zich op gezette tijden af te zonderen van de wereld en de ‘heilige dienst’ van de liturgie te verrichten. Deze visie op heiligheid stelt kwaliteitseisen aan de liturgie. De liturgie van de kerk kan krachtens haar heiligheid nooit zomaar een verlengstuk zijn van de haar omringende cultuur, zij is een eigen gestalte en roept een eigen wereld op. Wat betekent dat voor de liturgische praktijk? In één zin samengevat: dat er grote aandacht zal zijn voor de liturgie en de wijze waarop die gevierd wordt: de teksten die gelezen, gezongen en gebeden worden, de taal van de gebaren, de muziek (met name de musica sub communione), de wijze waarop de gemeente zich voorbereidt en ter communie gaat, de liturgische kleding, en niet te vergeten de ruimte waarin de liturgie wordt gevierd. Grote zorgvuldigheid en een kritische houding is hier geboden. Alleen het beste van het beste is goed genoeg. Te lang heeft de kerk voorgangers en gemeenten vrijgelaten in het vormgeven van de liturgie, met als gevolg dat slordigheid, onzorgvuldigheid en stijlloosheid hoogtij vieren. Dat onderstreept het belang om daarover in gesprek te gaan en criteria te ontwikkelen voor wat een kerk die zich heilig noemt waardig en onwaardig is. lees verder