Het gebruik van monumentale kerken in de oude binnensteden

door Ries den Dekker ‘Mozes nu nam een tent en spande haar voor zich uit buiten de legerplaats, ver van de legerplaats, en noemde haar: tent-der-samenkomst. Ieder die de HEER zocht, ging uit naar de tent-der-samenkomst, die buiten de legerplaats was’ (Ex. 33: 7). Het volk onderweg woont in tenten. Daarbuiten heeft het de tent-der-samenkomst. Men moet ervoor opstaan en uitgaan. Wanneer het volk gesetteld is, in huizen woont, is er een huis in ‘t midden van Jeruzalem. Ook daar zoeken ze de HEER. En weer: men moet ervoor opstaan en opgaan. Middeleeuwers bouwden hier hun Godshuizen. Kerken en kathedralen verrezen, door keizers als Constantijn en Karel de Grote in het midden geplaatst. Bouwmeesters lieten zich inspireren door het Jeruzalemse huis. Trokken torens op als een Jachin en een Boaz. Ze waren nog meer gericht op het eschatologisch Jeruzalem, stad van vrede, uit Openbaring. Waar geen tempel meer gezien wordt, – maar heel contradictoir wil de gotische kathedraal een heenwijzing zijn naar díe stad Gods, en een voorafschaduwing daarvan. Het voorbeeld van Utrecht ‘Een tempel zag ik in haar wèl’. Onder die titel liep een tentoonstelling in Utrecht, in 1988, ter gelegenheid van de voltooiing van het 5-kerken-restauratieplan aldaar. Een ambitieus plan, waarbij kerken in grote meerderheid ook functioneel kerken zijn gebleven. Dat dit niet vanzelfsprekend is, laten vele andere plaatsen zien. Dertig jaar geleden zijn er prachtige dingen gezegd over de toekomstige functie van de Nieuwe Kerk in Amsterdam, toen in restauratie. Ze is voorbeeld van een kerk die, gelukkig, bewaard is gebleven, maar, ongelukkigerwijs, niet echt als kerk. Uiteindelijk is het toch een museum geworden. Graag ga ik er eens een tentoonstelling bezoeken, maar nooit ontkom ik dan aan het onplezierige gevoel dat zoiets zegt als ‘bloody shame voor de kerk’. Of zoals de anglicaanse bisschop Ralph Dean ooit schreef: ‘sommige kathedralen zijn mooie museumstukken, but we are not in the museum-business’. Bij de bouw van de Domtoren in Utrecht, dè Nederlandse kerkenstad, waren bezwaren niet van de lucht. Bekend is het protest van Geert Groote tegen de geld verslindende onderneming: ‘het had beter aan de armen uitgedeeld kunnen worden’. Rondom instandhouding van monumentale kerken worden tot in onze tijd van buitenstaanders soortgelijke geluiden gehoord. Insiders benaderen het meer economisch-technisch: is het gebouw kerkelijk nog ‘functioneel’? Geheel naar de geest der tijd regeert dan al snel de macht van het getal: hoeveel kerkgangers? en is dat in verhouding met de totale bouwmassa? wegen de kosten nog op tegen de baten? Alsof dat óóit zo te berekenen was. Tussen haken en terzijde: in een nieuwe stad als Zeewolde werd in 1985 een kerk gebouwd, functioneel en multifunctioneel, maar mèt een zakelijk gezien overtollige toren, die van verre doet denken aan het silhouet van de zes eeuwen oudere Dom, waar Geert Groote zo tegen fulmineerde. In mijn vorige gemeente moest met het oog op de SoW-federatie een keuze gemaakt worden tussen instandhouding van de middeleeuwse kathedraalachtige hervormde kerk (voor de kerkvoogdij halssieraad en molensteen tegelijk) èn de letterlijk stijlloze gereformeerde kerk van een kwart eeuw oud. Van die laatste kant rekenden sommigen al snel voor wat de beste exploitatie-cijfers zou geven. Het werd quasi-schertsend gepareerd met: ‘kennen jullie niet de psalm die zingt: hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog?’. Uiteindelijk is er wel voor gekozen de historische, in het stadsbeeld duidelijk aanwezige kerk als kerk te bewaren. Niet zónder rekenwerk, maar ook niet alléén op grond van sommen. Wij leven niet in de stad Gods waar Openbaring zicht op heeft. We leven in de stad van de mens. Midden daarín, nolens volens. Gelovend en niet-gelovend samen. Ooit zijn er in die stad van de mens Godshuizen gebouwd. Inmiddels cultuurmonumenten, zeker. In hun architectuur soms heel triomfaal, o ja. Het feit dat in ons lieve land zoveel torens niet afgebouwd werden (onder andere in diezelfde vorige gemeente, en in mijn huidige standplaats, Dordrecht, eveneens) omdat de aarde of de financiën het niet verdroegen, getuigt van menselijke hybris. Het kan echter van even grote hybris getuigen de kerk maar als kerk te sluiten en er een andere bestemming aan te geven. De stad van de mens heeft een plaats nodig die boven zichzelf uit en van zichzelf af wijst. Waar je erin bevestigd wordt, dát er iets te zoeken en te vragen valt. Dat er een adres is. Waar in een overhaaste samenleving rust gevonden wordt. Waar in een wereld vol berichten van onmenselijkheid wordt getuigd van de ware humaniteit in Christus. Waar, om met Arie van de Beukel te spreken (zie zijn boekje Geen beter leven dan een goed leven, Ten Have 1998), andere waarden gelden dan de macht van het getal en de dwang van meer, sneller, efficiënter. Een tempel zag ik in haar wèl. Utrecht is een voorbeeld. Veel monumentale kerken op steenworpafstand van elkaar in de oude binnenstad. Met overtuiging, met lef, en met creativiteit is dit totaal aangepakt en zoals gezegd overwegend als kerk in stand gehouden. Eén van de stimulerende en dragende krachten daarbij is dr. J. van der Werf geweest. Hij gaf bij de voltooiing van de restauratie van de Nicolaikerk in 1978 een aantal dingen aan die nog niet aan actualiteit hebben ingeboet. Ik vat er hier een handvol van samen: 1 deze gebouwen zijn een erfenis, die een lange geschiedenis meedragen van christelijk geloven en belijden; 2 vroeger zoog de kerk de wereld in zich op, wat niet altijd goed was; laat nu niet de wereld de kerk in zich opzuigen, want dat is ook niet goed; 3 laat er daarom werk gedaan worden dat de kwaliteit van het leven bevordert; wanneer er veel kerken bij elkaar in een binnenstad staan, kun je die wellicht niet allemaal kerkelijk gebruiken; waak dan voor gebruik dat te maken heeft met het stimuleren van de menselijkheid; 4 ook vroeger waren kerken concentratieplaatsen van kunst en cultuur, veel monumentale kerken met monumentale orgels vrágen om een concertpraktijk; houdt bij alternatief gebruik in de gaten dat een middeleeuwse kerk karakter heeft en persoonlijkheid, en geen publieke vrouw is; 5 er dient een duidelijk beleid te zijn over wat passend is en wat niet, maar een kerk hoeft ook niet voortdúrend in gebruik te zijn, dat is een voetbalstadion ook niet. In de Domstad behielden uiteindelijk de vele kerken vooral een kerkelijke functie. Diverse vormen van kerkelijk leven hielden of vonden er hun plaats. De studentengemeente in de Janskerk, de Waalsen in de Pieters, de Gereformeerde Bond in de Jacobi, een SoW- gemeente in de Nicolai, het Citypastoraat in de Dom – alleen de Buurkerk herbergt een museum. Ooit werden in alle buitenwijken kerken gebouwd onder het motto ‘de kerk is daar waar de mensen zijn’. Leegstand dreigde voor grote kerken in ontvolkte binnensteden. Een generatie verder blijken mensen door mobiliteit en individuele keuzen lang niet altijd te kiezen voor ‘de kerk op de hoek’. Of, zoals iemand ooit zei (Blankesteijn): ‘supermarkten zijn er in alle buitenwijken, voor speciaalzaken gaat men toch naar de centra’. De kerk is vaak nog georganiseerd door middel van het geografisch principe. Vooral in de grote steden stoort men zich daar in de praktijk steeds minder aan. Men kiest. De kerk heeft daar dan ook de kans grotere variatie te bieden. Voor monumentale kerken in binnensteden blijkt bewoning door een modalitair of mentaal gekleurde gemeente weer meer mensen in die kerk te brengen dan in menige wijkkerk gebeurt. Gedachtig aan het feit, dat met name stadskerken in de afgelopen eeuwen ontmoetingsplaatsen waren, coram Deo, op zondag, maar veelal ook doordeweeks, heeft zich in menige kerk ook een doordeweekse praktijk ontwikkeld. Met concerten, met tentoonstellingen, en vooral met openstelling. Voor toeristen, maar ook voor zoekers. Het Citypastoraat dat Van der Werf in de Domkerk gestart is, werd voor andere plaatsen een inspiratiebron: ontmoeting van kerk en cultuur, presentstelling van het visioen van de toekomst, dienst in en aan de stad van de mens waar men midden in staat. De kerk (en dan ook het gebouw als tastbare locatie daarvan) als vrijplaats van een tegencultuur, zoals Hans Kronenburg het in 1995 onder woorden bracht bij 25 jaar Citypastoraat Domkerk. Her en der zijn kerken in eigendom geraakt van stichtingen. Die zich zakelijk gedwongen zien deze commercieel te exploiteren. Daarbij kan het puzzelen worden om ruimte te vinden voor kerkelijke activiteiten. In de praktijk blijken weinig stichtingen met alle activiteiten de inkomsten zo te verhogen, dat de exploitatie sluitend wordt. Met inzet en creativiteit kan ook een kerkelijke gemeenschap meer dan ze denkt. De kerk is nog altijd de grootste ‘vrijwilligersorganisatie’, en met een goed plan blijken ook hiervoor mensen warm te krijgen. Concerten en exposities zijn ook door de kerkelijke gemeenschap te organiseren en kunnen dan bovendien raakvlakken bieden met de kerk als kerk. De stichting is niet zaligmakend. Meestal moet de overheid haar evenzeer of nog meer bijspringen. Die overheid heeft eeuwenlang het onderhoud mee gedragen. Na een periode van enige afstandelijkheid heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg een denken ontwikkeld, dat weer positiever staat tegenover kerkelijk gebruik van kerken. Met de cultuurhistorische waarde van de kerkgebouwen en hernieuwde aandacht voor de oorspronkelijke bestemming hiervan zijn er soms onderhandelingen te openen die met medegebruiksrecht leiden tot een verantwoord gedeelde financiële verantwoordelijkheid van kerk èn overheid. Meerdere kerken naast elkaar. Diverse modaliteiten, bijzonder pastoraat, verschillende vormen die elkaar aanvullen. Zo’n invulling kan kerken als kerken redden. Utrecht is een voorbeeld waar die formule werkt. Deze diversiteit is niet overal levensvatbaar. Soms zijn er gewoon kerken teveel. Dan komen de andere opmerkingen om de hoek die Van der Werf jaren terug al maakte: over een passend ander gebruik. Waarbij de vreugdevolle waardigheid van de kerk bewaard dient te worden voor al te slonzige omgangsvormen. In een bundeltje van enkele jaren geleden wordt de herbestemming van enkele tientallen grote en kleinere kerken onder de loep genomen (Herbestemming van Kerken, een ontnuchterend relaas, een uitgave van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 1995). Van woonhuis, werkplaats, winkel en restaurant (‘it Ponkje’ in Woudsend, voormalig Doopsgezinde kerk, waar we als ringpredikanten uit Z.W.-Friesland eenvoudig, voedzaam en geheel in sfeer konden eten) – via universiteitsaula, kantoor en schouwburg, tot een naar de normen van J. van der Werf passender herbestemming als bibliotheek, rouwcentrum of moskee. De ondertitel van het boekje geeft vooral aan dat herbestemming in veel gevallen ook niet alles werd en niet leidde tot het sluitend krijgen van de begroting. Na een eerder citaat van de anglicaan Ralph Dean nog een Engelsman, T.S. Eliot, bijna een halve eeuw geleden (The Value and Use of Cathedrals in England Today, 1954). Hij stelt om te beginnen heel stevig: ‘the closing of any church is a disaster’. Om vervolgens te concluderen dat er soms te veel van zijn, en er dan beter één ‘goed’ open kan blijven: als een teken van kerkelijke presentie, open voor ieder, als een plek van ‘continuous prayer and worship; a cathedral is a kind of monastic institution’. Geheel in de lijn van Hendrik VIII die de grote stadskerken verplichtte tot dagelijks morningprayer and evensong. De spanning die Eliot aangaf is 50 jaar later nog even voelbaar. De praktijk in Dordrecht Na deze algemene oriëntatie als tweede deel een concretisering in mijn eigen werksituatie. Dordrecht kent in de oude binnenstad een fiks aantal monumentale kerken. Uit verschillende bouwtijden valt een zevental te noemen: 1 de oude parochie-, later kapittelkerk van Onze Lieve Vrouwe, een kruisbasiliek in de Brabantse gotiek, sinds de reformatie meestal Grote Kerk genoemd; 2 de in aanleg nog oudere parochiekerk van St.Nicolaas, een tweebeukige hallenkerk, na brand in 1568 door de protestanten herbouwd en sindsdien Nieuwkerk geheten; 3 de voormalige kloosterkerk van het Augustijnenklooster, de Augustijnenkerk, eveneens een tweebeukige hallenkerk, herbouwd na brand in 1512; 4 de voormalige kapel van het Heilig Sacramentsgasthuis, sinds 1635 Waalse kerk, in 1840 vrijwel geheel vernieuwd; 5 de voormalige kapel van het Blindeliedengasthuis, een laatgotische zaalkerk, sinds 1689 in gebruik als Lutherse kerk; 6 de rond 1825 gebouwde R.K. parochiekerk St.Bonifacius, een driebeukige neoclassicistische hallenkerk (arch. P. Plukhooy Bzn.), op de plaats van een oudere schuilkerk; 7 de Oud-Katholieke schuilkerk Maria Maior, in 1843 gebouwd door stadsarchitect G.N. Itz, in de plaats van een eerdere. Drie zijn inmiddels definitief buiten kerkelijk gebruik: - de Nieuwkerk werd gesloten in 1960; sloop is overwogen, mede omdat de hele wijk eromheen voor nieuwbouw moest wijken, maar een sloopvergunning werd geweigerd vanwege het monumentale karakter; in 1987 is ze deels voor bewoning ingericht, deels werd ze supermarkt; momenteel zit er een keukencentrum in; het boekje ‘herbestemming van kerken’ noemt de Nieuwkerk als één van de slechtste resultaten in het land; er kan nauwelijks nog verder afbreuk gedaan worden aan de cultuurhistorische waarde. - de Bonifaciuskerk ging in 1981 dicht, de gemeente Dordrecht werd de nieuwe eigenaar; sindsdien is ze in gebruik als jongerensociëteit en disco (‘Bibelot’); het interieur van de kerk is volledig onttakeld; de exploitatie kost de gemeente jaarlijks veel geld, aan structureel onderhoud wordt weinig gedaan, het hout van de toren rot letterlijk weg. - de Waalse kerk, materieel al langer in beheer bij de burgerlijke gemeente, werd in 1986 afgestoten als kerk; de Eglise Wallone houdt sindsdien haar culte in één van de historische zalen op het Hof; in de Waalse kerk is het accent verschoven van de mens sana naar het in corpere sana: er worden sportartikelen verkocht en inwendig is van het oorspronkelijk karakter niets terug te vinden. Geen van deze drie voorbeelden stemt tot vreugde over hergebruik van kerken. Ook de Augustijnenkerk was jarenlang dicht. Ze wàs de ‘volkskerk’ waar het merendeel van de Dordtse hervormden doopte en trouwde. De Gereformeerde Bond heeft uit protest tegen verwaarlozing van dit eeuwenoude gebouw het weer ‘open-geschilderd’. Tenslotte vond restauratie plaats. De GB gebruikt het nu als één van zijn twee kerkgebouwen. In een moeizaam overleg is de kerk ook voor andere (culturele) doeleinden beschikbaar. De GB gebruikt de kerk als open huis aan de grote winkelstraat bij evangelisatiewerk. Toch lijkt deze modaliteit bij een gedwongen keuze tussen zijn beide kerkgebouwen vanwege parkeerproblemen in de binnenstad en vanwege een gebrek aan nevenruimten níet voor de Augustijnenkerk te opteren. Op termijn dreigt dan toch ook deze voor kerkelijk gebruik afgestoten te worden. Weg binnenstadskerk met speciale modalitaire functie … De Lutherse kerk wordt door een slinkende en vergrijzende gemeente nog immer in stand gehouden; wordt ook voor concertseries gebruikt, en recentelijk als ‘stijlvolle ambiance’ (?), zoals de plaatselijke courant schreef, voor een modeshow. De kleine Oud-Katholieke parochie beleeft na dreigende opheffing een heel bescheiden revival en zet haar traditie voort in de even kleine, máár fijne, behuizing; stelt bovendien bij elke gelegenheid die zich voordoet de kerk open voor gasten. Tenslotte de Grote Kerk. Begin jaren zeventig met sluiting bedreigd, midden jaren tachtig grondig gerestaureerd. Sinds 1987 het grootste deel van het jaar dagelijks open. Bij de laatste restauratie zijn twee dingen niet aangepakt die het gebruik van de kerk nog meer mogelijkheden hadden kunnen geven. Ten eerste de statische inrichting met vaste bankenblokken (de huidige dateren uit de jaren dertig). Vervanging van tenminste een deel door mobieler meubilair was wenselijk geweest. Ten tweede is niets gedaan aan verwarming. Een oud systeem van voetplaten is de enige luxe. Voor het overige zitten we in de kou. Dit betekent in de winter nauwelijks culturele activiteiten en ook geen doordeweekse openstelling. In het verleden werd de kerk van januari t/m maart ook voor de eredienst gesloten en fungeerde de Augustijnenkerk als winterkerk. Sinds een herschikking van kerkdiensten 5 jaar geleden (wijk 1, het Citypastoraat, kreeg daarbij wel weer wekelijkse in plaats van veertiendaagse morgendiensten) trotseren we de kou (het minimum was -2° binnen) met een dan wel sterk slinkende groep volhardende heiligen. Voordat de restauratie voltooid was is men zich in de Domkerk van Utrecht gaan oriënteren. Het woord Citypastoraat is al gevallen, men voelde wel voor een vorm hiervan. Dit is met een vertaalslag naar de eigen situatie tot stand gekomen. Er werd een structuur bedacht, waarbij de centrale kerkvoogdij eigenaar van het gebouw blijft en eindverantwoordelijke is voor alle gebruik. De kerkvoogdij laat zich daarin bijstaan door een stichting. Deze draagt uit activiteiten en donaties substantieel bij aan het onderhoud. De stichting delegeert taken naar een zestal werkgroepen: muziek, publiciteit, tentoonstellingen, behoud, kerkinterieur, Citypastoraat. De laatste is het meest direct verbonden aan de hervormde wijkgemeente 1. Praktisch betekent dit dat circa 150 vrijwilligers (met de werkers achter de schermen mee bijna 170) de kerk van 1 april tot 1 november dagelijks open houden; in november en december nog enkele middagen per week. Deze vrijwilligers bemensen balie, winkel, koffiekamer, houden de kerk schoon etc. Bovendien wordt een deel (de grootste groep) getraind als gastvrouw, -heer. Tijdens de wintersluiting zijn er enkele toerustingsavonden. Het verschil tussen surveillance in een museum en de ontvangst van gasten in een kerk als deze komt daarbij nadrukkelijk aan de orde. Er zijn meerdere tentoonstellingen per seizoen. Er lopen verschillende concertseries, onder andere ook vrij toegankelijke orgelbespelingen elke zaterdagmiddag in het zomerseizoen. Een ‘Stichting Bachorgel’ beijvert zich zeer om, buiten laste van de kerkvoogdij, naast het romantische hoofdorgel te komen tot een barok instrument voor cultureel en kerkelijk gebruik. 40.000 gasten per jaar bezoeken (buiten kerkdiensten, concerten en bijeenkomsten in verband met verhuur) de Grote Kerk. Er wordt principieel geen toegang geheven. Torenbeklimming kost wèl, rondleidingen ook, en er kan een foldertje gekocht worden. Maar de kerk is vrij toegankelijk en wie met vragen binnenkomt vindt iemand. De zomer kent een middaggebed op woensdag. In de stiltekapel schrijven wekelijks tientallen bezoekers in het gebedenboek intenties die zondags met discretie worden opgenomen in de voorbeden. Er ligt een tweede boek met voorbeeldgebeden, afkomstig van Franciscus van Assisi tot en met Wim van der Zee. Jarenlang was er discussie of in de stiltekapel nu wel of niet gelegenheid geboden kon worden om een kaarsje te branden. Doorlopend was er de vraag, en evenveel voorzichtigheid in deze. De wijkkerkenraad sprak er over en constateerde dat deze lichtsymboliek over kerkgrenzen heen ingang had gevonden. Men achtte geen principiële bezwaren aanwezig om het niet toe te staan. Besloten werd de mogelijkheid te bieden zonder dit breed te propageren. Zich bewust dat het aanbod ook de vraag bevordert. Hetgeen geschiedt. Op gezette tijden ben ik zelf aanwezig in de kerk. Met regelmaat word ik ‘opgepiept’. Voor vragen van praktische aard – bij golven zijn er vragen om geld. Of van pastorale aard, waarbij relatieproblemen, rouw en suïcidale neigingen opvallen. Er wil wel eens iemand ‘gewoon even gedoopt’ worden. Er is ook sprake van hernieuwde zoektochten naar geloof. Via een ‘pastorale brievenbus’ kan men zich, desgewenst wat anoniemer, tot de predikant wenden. Soms worden mensen door medewerkers gewezen op het Diaconaal Aandachtscentrum, elders in de binnenstad. Wordt voor verdere hulp verwezen naar Vluchtelingenwerk, of voor onderdak naar het slaaphuis van het Leger des Heils. In elk geval blijkt steeds een gebouw als dit een uithangbord te zijn van de kerk, van een ‘leven-in-geloof’, van andere waarden dan algemeen gangbaar zijn, van een geloofsgemeen-schap. De vrijwilligers hebben hier weet van. Bijna allemaal hebben ze een kerkelijke achtergrond, hoe verschillend die ook kan zijn. Er bestaat een wisselwerking tussen betrokkenheid bij het doordeweekse werk en bij de zondagse diensten in de kerk. Dat is het andere aspect van het Citypastoraat. Uitgaande van een (verschraalde) binnenstadswijk heeft zich gaandeweg een bont gezelschap geformeerd in en rond de Grote Kerk. Groeiend individueel bewustzijn, mondigheid en mobiliteit, het is al gezegd, doen mensen anders kiezen dan voor de kerk op de hoek. Het gebouw dat uitnodigt om te vieren, dát wat erin geboden wordt (op zondagmorgen, of met regelmaat ook ‘s avonds, met de cantorij en een muzikale invulling die varieert van Praetorius tot Vogel en Pärt), betrokkenheid bij het vrijwilligerswerk – maar soms ook negatiever: onvrede met eigen wijk of kerk – allemaal argumenten die mensen uit de hele stad, de wijde regio, en van over kerkgrenzen heen bij de Grote Kerk betrokken doen zijn. Deze vorm van samen-kerk-zijn vergt een voortdurende aandacht voor het evenwicht tussen de geografische wijk (waar een heel stuk pastorale verantwoordelijkheid ligt) en de van buiten betrokkenen (deels geperforeerd, voor een groter deel ‘gastleden’). Nog zo’n wankel evenwicht ligt in de verhouding tussen anonimiteit en nabijheid: men loopt als nieuwkomer meer dan eens juist híer binnen omdat dit redelijk anoniem kan; men blijkt na enige tijd zelf meer nabijheid te zoeken. De moderne mens wìl graag anoniem zijn, en verlangt toch weer naar gemeenschap. We willen die spanning onderkennen en onze ambtsdragers hebben hierin voorzichtigheid en respect voor de ander leren betrachten. Het ‘traditionele’ gemeentewerk van zondagse eredienst, winters kringenwerk, pastoraat en diaconaat aan de ene kant – de open kerk met alle activiteiten en contacten aan de andere kant – ze blijken over en weer elkaar te stimuleren en te motiveren. Een aardig voorbeeld is dat enkele vaste gasten van het Diaconaal Aandachtscentrum trouw op zondag aanwezig zijn, als kerkganger. Op een gemeentedag meedoen, aan de broodmaaltijd. Geaccepteerd worden en in gesprek komen met andere gemeenteleden. Zonder zich van al hun eigenaardigheden te bekeren. Dat lukt overigens bij de meeste andere kerkgangers ook niet. De immense bijna kathedrale ruimte van de Grote Kerk wordt gevarieerd benut. Het middenschip is ingericht voor de Woorddienst. Op het hoogkoor wordt avondmaal gevierd en het wordt gebruikt voor bijzondere vieringen zoals de paaswake. In het Maria-koor vindt het middaggebed plaats en het avondgebed na leerhuis / kringwerk. In de kapellen rondom zijn diverse exposities; permanent (het gouden avondmaalsstel, bouwmateriaal van restauraties, en natuurlijk over de Dordtse Synode), en wisselend (recente voorbeelden zijn iconen, doopjurken, een grote klokken- en carillontentoon-stel-ling, pelgrimsinsignes die bij opgravingen in de stad naar boven kwamen, exposities van het Zendingsbureau). De Grote Kerk van Dordrecht staat wat terzijde van het eigenlijke centrum. Iedereen weet waar ze staat en als je haar één keer ontdekt hebt kom je er niet omheen. Maar marktgangers zien haar niet. Je moet ervoor uitgaan. Desalniettemin blijken velen te zoeken. Of zij direct en bewust de HEER zoeken in deze tent, is de vraag. Maar ze zoeken. Het zou van een geweldige hybris getuigen wanneer we de tent sloten en geen plaats meer boden waar gevonden kan worden. Deze lezing werd gehouden op 27 september 1999