Het tafelgebed in het nieuwe Dienstboek

door Gert van Schuppen

Prolegomena De rubriek tafelgebeden in het Dienstboek is in zijn opzet een voortzetting van het ‘gemeenteboekje’ Onze hulp uit 1978, indertijd uitgegeven vanwege de behoefte aan tafelgebeden afgestemd op het kerkelijk jaar. Wat is de doelstelling van zo’n rubriek? In de inleiding van Onze hulp wordt de spanning aangegeven tussen enerzijds het feit, dat ‘niet ieder taaleigen hoe zorgvuldig ontwikkeld ook zich leent voor “veralgemening”’ en anderzijds dat ‘wat in het Dienstboek wordt opgenomen in principe toch liefst overal gezegd moet kunnen worden’. Een verwante stellingname is in het nieuwe Dienstboek te vinden op blz. 932: ‘in de eredienst is de geschreven taal altijd hulpmiddel allereerst om de gezamenlijkheid te stimuleren en te bewaren; vervolgens om als uitgangspunt te dienen voor de ontwikkeling van de eigen geloofstaal. In dit verband viel mij een zin op uit de rede van Oosterhuis, uitgesproken bij de ontvangst van de Oecumenische Prijs van de Raad van Kerken: ‘dat noem ik genade van het woord, dat een ander zich bedienen kan van de woorden, die jij hebt gevonden, geordend en geladen’. Inderdaad: voorgegeven taal moet wel door jouw tong kunnen worden uitgesproken. Maar ook door de taal van je geloof. Want we zullen niet om de kwestie van de zogenaamde ‘twee sporen’ heen kunnen, de verhouding van de lex orandi tot de lex credendi. Voor wie niet leeft vanuit de lex orandi van het zogenaamde ‘vierende spoor’ kan dit moeilijkheden veroorzaken. Zou er dan gekozen moeten worden voor de vierende orde, dan zal een gebedshulp noodzakelijk zijn. In zo’n geval zijn de teksten zeker gegeven om integraal te worden gebruikt. Mijns inziens luisteren de gebeden bij de viering van de sacramenten en sacramentele handelingen toch al zeer nauw. Zo zijn bijvoorbeeld in Gereformeerde Bondsgemeenten de gebeden bij de sacramenten de enige, die niet vrij zijn. Ik heb geen overzicht over de huidige situatie in de SoW-kerken op dit punt, maar ik denk, dat we de vragen rond de ‘dubbelsporigheid’ niet moeten onderschatten. M. Ploeger heeft in Eredienstvaardig (jrg. 15 (1999), nr. 5) dit helder uiteengezet in zijn artikel ‘Lex orandi lex credendi – over de liturgie als kenbron van geloofsleer’. Er bestaat zeker in een behoorlijk aantal SoW-gemeenten de opvatting, dat met de keuze voor het zogenaamde vierende spoor een wissel is gepasseerd. Daar wordt dit, denk ik, gezien als een daad van de kerk naar God toe, in tegenstelling tot de genade, die van God naar ons toe komt. Zo vind ik in het nieuwe Dienstboek de doorgaande nummering met 43, enzovoort, voor de didactische formulieren dan ook verhullend. Het is daarbij merkwaardig, dat de proeve voor een lerende orde (blz. 175) niet is opgenomen als nr. 45 in de rubriek tafelgebeden. In die proeve valt overigens op, dat de rubriek van zelfonderzoek en boete ontbreekt. De tafelgebeden De gegeven tafelgebeden zijn te verdelen in twee structuurvormen. Veruit de meeste hebben de klassieke structuur: de dankzegging aan God, de prefatie uitlopend op het Sanctus en Benedictus, de anamnese van Christus met de instellingswoorden en de epiclese. De overige tafelgebeden hebben een vrije structuur. Daarin zijn de drie genoemde elementen wel opgenomen in de teksten. De toelichting gaat op die verschillen niet in. Ook niet op een aantal niet onbelangrijke verschillen in de klassieke structuur. De volgende verschillen vallen hierbij op. 1. Een offertorium is alleen aanwezig bij Van der Zee, Hippolytus (23) en Barnard (21 en 41). Bij Hippolytus: ‘wij komen tot U met dit brood en deze beker’. Barnard: ‘neem aan, zo bidden wij, gaven uit onze handen, want het ís alles van U’. En Van der Zee heeft dezelfde woorden als Hippolytus. Opvallend is, dat Van der Zee in de loop der jaren zijn oorspronkelijke tekst wat heeft afgezwakt. In 1978 in Onze hulp luidde deze nog: ‘Wij bieden U deze tekenen van brood en wijn aan en bidden U Heer zend Uw Geest’. Indertijd kwam er scherpe kritiek onder andere vanuit de Confessionele Vereniging op dit punt. Hier is de lex credendi aan de orde. Doet ons dankoffer het offer van Christus tekort? Het is toch alleen mogelijk door Christus? De anamnese krijgt namelijk gestalte in de handeling van het dankoffer van brood en wijn, die tekenen zijn van onze toewijding. Waar de meeste andere tafelgebeden dit element missen blijft de vraag of deze omissie mee uit oecumenische overwegingen aanvaardbaar is. De toelichting zwijgt hierover. Het zou kunnen samenhangen met de toevallige huidige beschikbaarheid van de momenteel gangbare tafelgebeden in de kerken. 2. De epiclese. Deze ontbreekt in nummer 24 vanwege de Lutherse traditie en eenmaal bij Naastepad (42). De positie van de Lutheranen wordt wel in de toelichting verduidelijkt. Mijn vraag blijft: moet niet juist bij de viering van de sacramenten de epiclese altijd gebeden worden? Bij de epiclese speelt ook nog een ander verschil. Wordt de Geest over de gemeenschap alleen of ook over de gaven aangeroepen? Bij de gebeden van Schuman, Hippolytus en Morley wordt de Geest ook afgeroepen over de gaven van brood en wijn. De toelichting zwijgt terecht over een eventuele vrees voor een consecratiemoment. Zo is de eucharistie een teken van wat de wereld gaat worden, een herschepping door de Geest. Overigens heeft Van der Zee zelf later de voorkeur gegeven aan: ‘Zend over ons en over deze gaven de Geest van Uw liefde’. Toch verschillen, waaraan men niet zonder meer voorbij kan gaan. 3. De herdenking van de overledene. Die komt alleen voor bij Schuman en ten dele bij Van der Zee. 4. De invloed van het kerkelijk jaar. Bij Van der Zee, Schuman en Morley bepaalt dit (per feest en seizoen) het hele tafelgebed, dus ook de anamnese en epiclese. Bij Barnard (21 en 41), Dienstboek ELK (24) en Naastepad (42) is alleen de prefatie op het kerkelijk jaar afgestemd. Ik heb een voorkeur voor de eerste mogelijkheid, waar er ook nog de groene zondagen zijn. 5. De instellingswoorden: moeten deze altijd letterlijk worden opgenomen, of is ook een parafrase mogelijk, zoals in 28 en 29? Ook bij de Didachè (40)? Rest nog de vraag, of een vrijere structuur voor het tafelgebed evenzeer aanvaardbaar is. De toelichting laat zich daarover niet uit. Het lijkt mij een legitieme mogelijkheid. Zo zijn bijvoorbeeld de drie hoofdelementen aanwezig in de tafelgebeden 19, 28, 29, 32 en 40. Een novum is het gezongen tafelgebed. In 1992 heeft A. Eikelboom hiervoor al gepleit in Eredienstvaardig. Gedenkend spreken is volgens hem evocatief spreken. De gezongen tekst zou meer los kunnen maken bij de gemeente. De rolverdeling van voorganger, koor, gemeente is niet altijd even duidelijk. Soms zijn de instellingswoorden toebedeeld aan het koor. Er zijn zes gezongen tafelgebeden aangereikt (88 – 93). Daarbij vraagt wel het laatste van Oosterhuis speciale aandacht. Dit komt niet voor onder de gesproken teksten. Het is inhoudelijk totaal afwijkend van alle andere. Existentiële twijfel in plaats van dankzegging om dan naar de instellingswoorden toe in de anamnese uit te monden. De vraag is, of dat begin van de prefatie eigenlijk niet thuis hoort in de voorbede of het kyrie. Ook voorbeden horen nauwelijks thuis in een tafelgebed. Toch denk ik, dat zo’n aangevochten sacramentaliteit mogelijk is. Trouwens bij Van der Zee (8) gaat het om dezelfde spanning, zij het meer uitgebalanceerd. De teksten Opmerkingen over de geboden teksten en het taalgebruik zijn wat problematisch. Men kan de gebeden niet goed recht doen door ze al lezend in het Dienstboek te beoordelen. Ze zullen functioneel in de liturgie tot leven moeten komen. Bovendien spelen de subjectieve voorkeuren mee. Een eerste punt is de omvang. Mijns inziens moet na de voorafgegane woorddienst het tafelgebed kort zijn, helder, direct maar ook poëtisch-liturgisch. Er is een grens aan de opnamecapaciteit van mensen. Bovendien krijgen langere teksten gauw iets belerends, zodat het gebed in de richting van een didactiek gaat. Zeker als alleen de prefatie bepaald wordt door de jaarorde. Zie bijvoorbeeld De eerste dag van januari 2000. Nu dan toch maar wat opmerkingen over de teksten. Te lang zijn Oosterhuis (27), Duin (26), en Naastepad (22). Wat breedsprakig is de serie van Schuman. Zo kan het onderdeel over de herdenking van de overledenen zeker korter. En ik denk aan zo’n vaste tekst als ‘met al wat in zijn naam besloten licht aan’ en dan volgen drie abstracta: mededogen, liefde en genade. Dan voorbeelden van een thematisch bepaald zijn zoals dat van het ‘op weg zijn’(32) uit de Erneuerte Agende, en dat van Schuman over de ‘naam’ (19). De structuur is goed, maar de vraag blijft, of met zo’n thematische opzet het gebruik niet erg beperkt zal zijn. Hetzelfde geldt voor het al aan de orde geweest zijnde gebed van Oosterhuis, overigens een sterke tekst. Opvallend zijn de twee tafelgebeden afgestemd op kinderen, die in beurtspraak betrokken worden bij het gebed (30 en 31). Beide tafelgebeden zijn dan ook op muziek gezet. Is deze mogelijkheid gewenst? Zijn ze soms dienstig voor gemeenten, waar de kindercommunie in discussie is? De teksten zijn in ieder geval niet gewild kinderlijk. De serie van Morley (35 – 39) is afkomstig uit de feministische praktijk. Het heil wordt uiteraard veelal in vrouwelijke beelden verwoord. Opvallend zijn bijvoorbeeld: het kind van Bethlehem is bedekt met het bloed van een vrouw; Jezus aan het kruis is in barensnood om ons als kinderen van de opstanding voort te brengen; in het Sanctus gaat het over de ‘kwetsbare God’; de prefatie prijst ‘de eeuwige Wijsheid’ in plaats van God; er is sprake van de liefste Geest, de Geest van tederheid, die broedt op de aardse gaven. Een groot bezwaar is, dat deze teksten eenzijdig doorslaan naar de andere kant: de mannenbroeders ontbreken. En de vrouwen gaan met de Heer om als … vrienden. Niet als vrouwen? Beiderzijds blijft men in deze kwestie nog te onzorgvuldig in het taalgebruik. Want je houdt het niet voor mogelijk, maar in een van de varianten voor de nodiging aan de Tafel luidt de aanhef tot de gemeenteleden ‘vrienden’ (blz. 806, nr. 79). Naastepad (bij alle waardering) vraagt nogal wat kennis van bijbelse gegevens en beelden. Zoals ‘besnedenen van hart, een lam bij wie wolven huizen, overblijfsel van kennis en schelp van inkeer, de onderste wateren bevolkt met eerbied, zoon van de koning, koning Zebaoth’ (42, en vooral 22). In de Lutherse versie (24) zijn de prefaties haast al te kort en daarbij christologisch ingevuld. De vaste anamnese komt daarmee weer erg massief over. Die prefatie brengt mij verder tot de vraag: is de aanhef van het prefatiegebed gediend met de reminiscens van het ‘dignum et iustum’, met als teksten: onze plicht en zaligheid, met recht en reden, goed en passend, betamelijk en heilaanbrengend, heilzaam en goed? De versie van nr. 25 is mijns inziens nogal vlak van inhoud. Persoonlijk kan ik mij het beste vinden in de gebeden van Van der Zee: helder, beweeglijk taalgebruik, sterke structuur, misschien iets te weinig poëtisch. Krachtig en geserreerd is het gebed van Barnard (41). En uiteraard mocht ook de didachè-tekst niet ontbreken. Ook de opname van het gebed van Hippolytus, waarschijnlijk uit historische motieven, is waardevol. Tenslotte een opmerking van algemene aard. Er is consequent gekozen om in het gebed tegen God, in verbinding met een werkwoord, niet ‘U’ te zeggen, maar ‘Gij’. Deze inleiding is gehouden op 27 maart 2000