Hoe leert een gemeente de liturgie ten diepste te beleven? Een consultatie

door Annemieke Kelder De Liturgische Kring wil in de middaggedeelten van de bijeenkomsten aandacht geven aan de praktijk van de eredienst in het werkveld. Door middel van een casus, een voorbeeld uit de liturgische praktijk, een concrete vraag of tekst, kan één van de leden het spanningsveld van de liturgische praktijk aan de Kring voorleggen. De anderen kunnen daar op reageren in de vorm van feed back, commentaar, eigen praktijk of mogelijke oplossingen. In de bijeenkomst van 22 maart 1999 is in het middaggedeelte de vorm van een consultatie beproefd. Dit artikel geeft daar een verslag van en reageert erop. De consultatie Een consultatie bestaat uit vier delen: 1. presentatie van het probleem of de vraag; 2. verheldering van de vraag; 3. aandragen van advies en mogelijke oplossingen; 4. reactie hierop. Een voorzitter bewaakt de tijd, en de scheiding tussen de diverse onderdelen en zorgt ervoor dat ieder onderdeel een gelijke tijdsduur krijgt (bijvoorbeeld tien minuten). De vraag die deze middag in het midden lag, was: Hoe leert een gemeente de liturgie ten diepste te beleven? Een aantal opvallende observaties uit de praktijk van een vierende gemeente had tot deze vraag geleid. Het viel bijvoorbeeld op, dat de gemeenteleden veel, hard en gezellig praten met elkaar, vóór maar ook tijdens de viering. Wanneer aan gemeenteleden gevraagd wordt wat zij van een bepaalde viering vinden, komen er vaak antwoorden die over uiterlijkheden gaan (tijdsduur, teveel of te weinig nieuwe liederen, verstaanbaarheid van de voorgangers, leesbaarheid van de gedrukte orde van dienst). Ook is er in het verleden een beleids-beslissing genomen, dat bij de vieringen in deze gemeente de nadruk ligt op de ontmoeting met elkaar, na afloop van de dienst. De vraag is nu wat deze constateringen zeggen over de liturgische dieptebeleving van de gemeente. Is er een tekort aan kennis bij de gemeente van wat men in de eredienst werkelijk doet en viert, dus wat men dan ook daarbij beleven kan? Is het mogelijk om mensen te leren dat eredienst allereerst een ontmoeting met de Eeuwige is, en pas van daaruit ook met elkaar? Dat het een heilig spel is van verschijnen voor haar Aangezicht? Kortom: hoe is het mogelijk de gemeente gevoelig te maken voor de hoogten en diepten van wat er in de liturgie te beleven valt? Adviezen en oplossingen De adviezen en oplossingen vanuit de Kring waren vele en zeer divers. De meeste waren praktisch van aard en doorgaans voortkomend uit de eigen ervaringen. De vraag hoe te werken aan liturgische beleving was dan ook voor velen zeer herkenbaar. Sommige van de die middag genoemde ideeën betreffen de inrichting van de eredienst zelf (A), of de omstandigheden ervan, de ruimte waarin gevierd wordt (B). Andere zien een oplossing in de voorbereiding of nabeschouwing van een viering (C). Tot slot zijn er enkele oplossingen die meer het geheel van het gemeenteleven op het oog hebben (D). Ad A: Over de inrichting van de eredienst werden de meeste ideeën aangedragen. Met koffiedrinken vòòr de dienst, in een andere ruimte dan de kerkzaal, blijft de mogelijkheid tot begroeting en ontmoeting, zo onmisbaar voor de gemeenschapszin, behouden. De overgang naar de ruimte voor de eredienst moet dan helder zijn, en vanaf die ‘drempel’ ook de stilte en rust gunnen aan anderen. De viering zou kunnen aanvangen door gezamenlijk zingend de kerkruimte binnen te gaan. Ook andere oplossingen zoeken naar een markering, een duidelijk herkenbaar moment dat een eind kan maken aan het bijpraten. Men kan denken aan stilte, beweging in de vorm van processie of binnen brengen van licht, of ook een ritueel zoals een bel of het aansteken van een kaars. Een ouderling kan het begin van de viering aangeven door eerst de mededelingen te doen, vervolgens om stilte te vragen, waarna de voorganger en de medewerkenden binnen komen. Dat het praten voor de dienst vaak een wedstrijd aangaat met het inleidend orgelspel, zou ondervangen kunnen worden door op de orde van dienst aan te geven wat de organist speelt. Verder zou de hele viering gedragen moeten worden door een fundament van beleven: de kleur en de toon moeten vanaf het begin aanwezig zijn en elk onderdeel van de viering doortrekken. Zo kan ook de prediking een heenwijzende functie hebben, door de hoorders mee te voeren van het gewone leven naar de diepere zin. Niet iedereen was het erover eens dat het creëren van momenten van stilte in de dienst de mensen helpt tot beleving te komen. Stiltes kunnen heel ongemakkelijk zijn in een gemeente die niet geleerd heeft ermee om te gaan. Ad B: Interessant was de vraag naar de ruimte waarin gevierd wordt. Is de ruimte rommelig met tafeltjes, lectuurkastjes, tasjes her en der, of nodigt de ruimte zelf uit tot inkeer, verstilling, concentratie? Ad C: Bij velen was er de ervaring dat gezamenlijk voorbereiden leidt tot verdieping. Een groep voor de voorbereiding van vieringen zou kunnen beginnen met een nabespreking van de vorige. Kwam er uit wat we erin wilden stoppen? Wat heeft je geraakt, of iets meegegeven? Was er een thematische lijn in de viering te ontdekken en hoe zou je die in één zin omschrijven? Hoe zou je de overweging samenvatten? Ook een werkgroep eredienst zou voorganger én voortrekker moeten zijn van de gemeente in het oefenen in en werken aan dieptedimensie in de liturgie. Ad D: Het is belangrijk dat het oefenen in spiritualiteit niet alleen een zaak van de eredienst zelf is en niet alleen van enkelen. Het zou mooi zijn als er een groep groeit die gevoel heeft voor de dimensies van liturgie, die uit ervaring weet wat er te beleven valt en die er aanstekelijk over kan vertellen. Daarnaast kan het goed zijn een ouderling aan te stellen met de bijzondere opdracht van de eredienst. Uiteraard moet deze bereid zijn tot enige scholing en training. Oefenen in stilte en spiritualiteit kan ook heel goed in een retraite met gemeenteleden, tijdens meditatieve vieringen en getijdengebed. Tenslotte is het een idee om de kracht en de diepte van liturgie een seizoen lang tot leidend thema te maken, en daarbinnen op verschillende manieren met de gemeente aan het leren en oefenen te gaan. Een ander onderzoekje Eén van de collega’s uit de Liturgische Kring vroeg zich in een schriftelijke reactie af, of de vooronderstelling van de consultatie niet te somber was. In een onderzoekje dat hij onder kerkenraadsleden had uitgevoerd over hun opvattingen aangaande en beleving van de eredienst, werd de volgende vraag als eerste gesteld: Waarom gaat u vooral naar de kerk? Voor de antwoorden kon men kiezen uit: a. God te aanbidden en de eer te geven. b. Mede-gelovigen te ontmoeten. c. Steun te ontvangen in het geloof. In een eerste overzicht bleek dat a. werd aangekruist door 36,4 %, b. door 18,2% en c. door 45,4%. De collega schreef: “De score bij a. lijkt weinig, maar in combinatie met c. gaat het om meer dan 80% van de antwoorden. De groep die primair kiest voor het sociale is dus ver in de minderheid.” Het zou uiteraard diepergaand onderzoek vergen om na te gaan in hoeverre dit onderzoekje echt iets weergeeft van de dieptebeleving van de eredienst door de gemeenteleden. De reden waarom men vooral naar de kerk wil gaan kan nog verschillen van wat men er doorgaans in de vieringen vindt en beleeft. Dat raakt aan het onderliggende probleem hier. Oudere gemeenteleden zijn veelal opgevoed met vormen voor geloof, verpakkingen zou je het kunnen noemen. Bidden, bijbel lezen en naar de kerk gaan vormden daar de pijlers van. De inhoud, het geloof, werd bekend verondersteld. Leren geloven bestond uit het leren van waarheden en zekerheden. Hoe je die moest voelen, leerde je er niet bij. Een persoonlijke relatie met een Nabije God is de meesten van die generatie vreemd. Voor de jongere gemeenteleden is de inhoud al nooit vanzelfsprekend geweest. Voor beiden zijn de vormen dus leeg, zij moeten (weer) leren hoe ze ze met beleving kunnen vullen. De honger en dorst naar die beleving is overweldigend aanwezig. Het besef dat het in de eredienst zou moeten gaan om God aanbidden en eer geven, en steun vinden voor het eigen geloof, is duidelijk aanwezig. Het is dan ook zeker een zaak van alle vier de hierboven genoemde categorieën suggesties om hieraan te bouwen in de gemeente. Het is één van de belangrijkste taken van de kerk in deze tijd. Mogelijkheden om een gemeente liturgische gevoeligheid te leren De hele inrichting en de gang van zaken rond de eredienst kunnen de beleving van de viering maken of breken. Een goede ruimte, een goed begin, de juiste toon van de voorganger kunnen de concentratie brengen. Wanneer de voorganger niet alleen leest wat zij thuis kunstig spiritueel heeft geconstrueerd, maar het ook op dat moment als nieuw doorleefd tegenwoordig stelt, heeft dat alle kracht van voor-gaan en zal de gemeente volgen. Dat geldt voor ieder onderdeel van de viering opnieuw. Steeds is het de voorganger die de concentratie kan samenballen en richten op wat er gebeuren gaat. Overigens: ook de organist of andere musici kunnen op dit punt voorganger zijn. Een ander punt is uitleg geven over wat er gebeurt tijdens de viering. In de literatuur wordt het sterk afgeraden om te doceren tijdens de dienst. Leren over liturgie doe je niet tijdens het vieren van liturgie. Toch leert de ervaring met steeds geseculariseerder publiek, dat de kennis over wat er te beleven zal zijn aan de verschillende onderdelen van de viering niet bekend verondersteld mag worden. Ook hier is het aan de voorganger om met een enkel goed gekozen (gewoon Nederlands!) woord aan te duiden wat er gebeuren gaat. Dat hoeft niet iedere keer, en niet iedere week op dezelfde momenten. Maar geregeld zal er tijdens het vieren een aanwijzing van de betekenis, een ‘vingerwijzing naar de hemel’ moeten zijn. Deze aanwijzingen tijdens het vieren kunnen gesteund worden door wat onder C en D aan ideeën is genoemd. Een kleine groep mensen met intuïtie en gevoeligheid kan als zuurdesem de hele gemeente doortrekken. Het belangrijkste is misschien nog wel de laatste categorie suggesties, waarbij eigenlijk ieder moment en iedere gelegenheid in het gemeenteleven zich leent voor het aanleren van spiritualiteit. Een huisbezoek, de opening van een vergadering, een kaars bij catechisatie. Immers, mensen gevoelig maken voor de aanwezigheid van de Geest, de ‘glimlachjes uit de hemel’ leren zien en aanwijzen voor elkaar, is een langdurig proces, dat over de volle breedte van het gemeenteleven gesteund moet worden. Groei in gevoel voor liturgie Dat hele proces is zeker ook een zaak van de predikant of pastor die oog moet krijgen voor alle momenten waar de kansen zich aandienen. In de praktijk van alle dag zijn die momenten legio. De reacties van de mensen zijn duidelijk. Ze staan er open voor, of gaan er open voor. Ze worden er door geraakt, kunnen het soms niet helemaal verwoorden, maar gaandeweg steeds beter. De praktijk van het gemeenteleven biedt bijvoorbeeld de volgende kostbare momenten. Een avondgebed in de geest van Taizé blijkt naar meer te smaken. Een lezing op een avond van de Vrouwenbond over liturgie is zo opgezet, dat de vrouwen zelf deel voor deel de betekenis van een raamwerk voor de eredienst ontdekken. Een gebed aan het eind van een huisbezoek breekt een hart open, en leidt tot een nieuw gesprek. Soms is het zelfs goed om er het bezoek mee te beginnen. De jongeren van de catechisatie willen zelf niet meer beginnen zonder dat de kaars is aangestoken. Vervolgens zoeken ze de beleving in de eigen muziek die ze hebben meegebracht. De kindercatechese pakt een klein stukje op rond rituelen en symbolen. In een viering die de catechese afsluit staan de kinderen allemaal rond de voorganger en leren de gemeente gebaren bij het slotlied. De hele gemeente doet mee met de ‘wave’ en geniet zichtbaar van deze nieuwe beweeglijke beleving. In de preekvoorbereidingsgroep probeert de voorganger steeds het gesprek niet alleen over het hoofd, maar ook over het hart te laten lopen. Bij de nabespreking van vieringen in de kerkenraad is een keer gevraagd geen kritiek te leveren, maar uit alle te evalueren vieringen één onderdeel, lied, woord of gebeuren te noemen dat raakte en diepgang gaf. Al deze momenten, en nog vele meer, zijn kansen om de gemeente te helpen de liturgie ook werkelijk op zijn diepgang te beleven. Wie daar oog voor heeft, en voor wat het de mensen kan doen, moet in aansluiting op het onderzoekje van de collega inderdaad constateren dat de honger en dorst naar beleving groot is. Mensen willen ervaren dat hun gebed verder gaat dan het plafond. Ze willen voelen dat de Eeuwige hen wil ontmoeten. Ze willen beleven dat God hen hoort. Ze staan er open voor om te leren waar en hoe ze zichzelf daarvoor kunnen scherpen. Een jongere zei het zo: “Als ik als één van de weinigen van mijn leeftijd in de kerk kom, is dat niet om nog meer te horen van wat ook al in de krant staat. Dan wil ik dat er een venster naar de hemel open gaat.” De consultatie is gehouden op 22 maart 1999