Liturgie in de bajes

door Ted Zuidmeer

Uitgangspunt voor mijn verhaal is: liturgie in de bajes. Op de uitnodiging, die mij laat bereikte zag ik dat het aangekondigde thema was: Het Dienstboek in de bajes. Ik heb daar nog wel naar gekeken, maar het eerste blijft toch overwegend mijn thema. Iets over mijzelf in verband met de liturgie. In zake van liturgie ben ik de Joden een Jood en de Grieken een Griek: ik houd van kerkmuziek, zong in de Laurens-cantorij in Rotterdam, nu in de Schola Davidica in Utrecht. Verbondenheid met de kerk der eeuwen beleef ik daaraan. In de jaren dat ik aan het licht ben, wil ik mijn steentje bijdragen aan het doorgeven van de schatten die de kerk heeft voortgebracht. De Engelse evensong die wij met de Schola maandelijks zingen verschilt zeer van de kerkdiensten die ik in mijn werk houd. Op beide komen mensen af. Naar de evensong gestadig meer. Honderden mensen op zondag om 5 uur. Ik geloof in het bestaansrecht van pluraliteit, ook waar het gaat om kerkdiensten. Wel is de vraag: wat blijft tussen die zo verschillende vormen het verbindende? Wat is onopgeefbaar? Herkenbaarheid Waar ga ik van uit, wat zijn mijn uitgangspunten? Iedereen is welkom, gelovig en ongelovig. Bepalend en verbindend is wat iedere mens kent, de polariteit angst en verlangen. Ik begin eerder bij de mens als zoeker dan als zondaar (om zonde te ervaren is toch allereerst ervaring nodig van het licht, waarin ook het duister merkbaar, zichtbaar wordt). Liturgie is zaak van de gemeente, zij zijn subject, het moet hún liturgie zijn, en die moet niet over hun hoofden heengaan. Er is dus ruimte voor hun verwoordingen, vaak in gedichten, soms in gebeden. Is dit de gemeente van de Heer? In zekere zin, voluit ja, maar ik ben soms ook in twijfel hoe ik dat stelletje ongeregeld precies moet zien. Ik krijg het niet over mijn lippen om ze aan te spreken als gemeente van Jezus Christus … Hoe vertalen zich deze uitgangspunten in liturgie? Laat mij eerst een beeld geven van wat ik doe in het Huis van Bewaring. Praktisch: twee diensten van maximaal een uur, koffie drinken inbegrepen. De ene week gaat de rooms-katholieke pastor voor, de andere week de dominee. Klein stiltecentrum, + 25 á 30 mensen per dienst, 5 vrijwilligers (geen ouderling van dienst), een goeie pianist, soms een solist. Een tafel met de bijbel open tussen twee brandende kaarsen, een Paaskaars, twee tafels met waxinelichtjes waarachter een icoon, een van de heilige drievuldigheid, een van Maria en Jezus. Een mooie bos bloemen. Altijd voor iedereen een liturgie. De gang van zaken is als volgt. Bij binnenkomst is er persoonlijke begroeting, een hand, een liturgie. Verdeling van de taken: wie leest er het gedeelte uit de bijbel? Altijd een gedetineerde (zo klonk dat zaterdag jl. in het Spakenburgs, 14 dagen geleden in onvervalst Utrechts). Korte inleiding op de dienst aan de hand van het thema en het plaatje voorop. Onze hulp … (gezamenlijk) Aansteken van de Paaskaars Gelegenheid om een kaarsje op te steken Openingslied Gebed Lezing van bijbelgedeelte en gedicht Muziek Preek Lied Vredeswens Voorbeden, stil gebed en Onze Vader Slotlied Zegen Koffiedrinken Ik houd vast aan dit stramien. Ik werk in een Huis van Bewaring, waar mensen doorgaans niet zo lang zitten. Daarom hecht ik aan de herkenbaarheid van deze gang van zaken. Dat geeft in een vreemde wereld wat houvast en veiligheid. Ik ervaar deze dienst als een echte, volwaardige kerkdienst, en dat is geloof ik calvinistisch. Een woorddienst, ook zonder avondmaal is een volwaardige dienst. Er is onder justitiepredikanten nogal wat vrijheid. Er zijn een paar collega’s die alleen kerkgespreksdiensten houden, een soort groepsgesprekken rond een bijbels thema. Ik hecht eraan om de vorm van de kerkdienst aan te houden. Mensen kunnen participeren zonder iets te hoeven zeggen, er wordt iets verteld naar aanleiding van de schriftlezing, gepreekt zo u wilt, en er wordt gebeden en gezongen. Een vraag die bij mij bovenkomt is de volgende. Er is vaak geen ouderling van dienst. Ik heb ook geen kerkenraad. Wie draagt de verantwoordelijkheid voor onze diensten? Liturgie is een zaak van de gemeente. Dat is voor mij een geweldig belangrijk uitgangspunt. Het moet niet over hun hoofden heengaan. Ze moeten zichzelf erin kunnen herkennen. Er is dus ruimte voor verdriet, voor opstandigheid, voor vrolijkheid en gein. Er gaat wel eens wat mis. Zeker in het voorlezen, maar dat geeft niet. Ook als er wel eens om gelachen wordt blijft er de sfeer van respect. Wil het niet over hun hoofden heengaan dan komt er heel veel aan op het taalgebruik. Heel regelmatig zijn er jongens voor het eerst van hun leven in een kerkdienst. Je kunt dus niets bekend veronderstellen; en dan gaat het niet alleen om kennis van christendom, van bijbelverhalen, maar dan gaat het ook om woorden die voor ons nog heel gewoon zijn, maar die volstrekt buitenkerkelijke en slechtopgeleide jongens niet kennen: neig uw oor, uw milde ontferming, leeftocht, onvergankelijk, barmhartig om er maar een paar te noemen. (‘voorzienigheid’: de enige die het wist in de dienst van afgelopen zaterdag was een man die opgevoed bleek in de gereformeerde gemeente). Ik houd alleen vaak vast aan de Aäronitische zegen. In het dienstboek trof ik wel goede korte bruikbare gebeden, maar ook veel net te plechtig taalgebruik. Vraag: zou het niet zinvol zijn, om ook met het oog op veel jongeren om een contextueel bepaald stuk in het dienstboek op te nemen, waarin deze taal vermeden wordt? Bijvoorbeeld met het oog op alle rouw- en trouwdiensten, waarin vandaag de dag ook zo vaak volstrekt geseculariseerde mensen zitten, zodat je heel zorgvuldig je welkomst-woord moet formuleren. En zo nog veel meer. De taal moet dus zo verstaanbaar mogelijk zijn, maar ook verzorgd. Het hoeft niet populair of plat te worden. Ik noem u het voorbeeld van een woonwagenbewoner, die oprecht verbaasd was over de taal die hij hoorde in de kerk.’ Ik vind het zo mooi zo als jullie het zeggen. Als wij praten is het zo grof.’ Het was een ontdekking: dat kun je dus ook doen met taal. Hij genoot ervan. Inhoud Niet alleen het taalgebruik is dus van groot belang, ook de inhoud van wat aan de orde is. Onopgeefbaar is daarvoor het individuele pastoraat en het groepswerk. Daarin ligt een belangrijk deel van de voorbereiding van de dienst, soms direct, altijd indirect. Rond de feesten houden wij ons aan het kerkelijk jaar, maar daarbuiten nemen we de ruimte om in te spelen op wat we tegen komen. Als voorbeeld een liturgie naar aanleiding van de vraag van een Iraniër. Hij begon met een vraag over de iconoclasten, en vervolgens over Kores! Hij was trots op zijn beroemde volksgenoot. Gelukkig wist ik wie dat was. Goed, we zullen het in de kerk eens over een buitenlander hebben die voor God zo belangrijk was, dat Hij hem inschakelde in zijn werk. In die week gebeurde het dat de meisjes in Gorkum werden doodgeschoten, door Turkse jongens, ook buitenlanders … Ik heb Turks brood gekocht, dat wij in de dienst hebben gebroken en gedeeld, rondgedeeld door twee Turkse jongens. Het gebed is uit een Iraans lied, vertaald in de bundel ‘Hoop van alle volken’ (53). Het werd een gedenkwaardige dienst, waar niet alleen de Iraniër gelukkig mee was. Misschien is dit een goed moment om iets te zeggen over de liederen. Het zingen is een opgave apart. Mensen moeten al over een drempel heen. De aanwezigheid van Surinamers en Antillianen, die minder gêne hebben om te zingen dan Nederlanders, helpt wel. Het zoeken is dus naar zingbare, liefst bekende melodieën (een collega maakte een lied op de melodie van ‘Goede Tijden, Slechte Tijden’). We hebben veel zelf verzameld, en hebben nu in ons eigen werkboek een eigen liederenbestand. Vaak verschillende teksten op één melodie. Wat heel moeilijk blijft is om vrolijke liederen te vinden. Een deel van onze populatie heeft hier en daar kennis gemaakt met de Pinksterbeweging en vraagt mij om opwekkingsliederen. Dat lukt mij niet. Ik kan de simplistische theologie van veel van deze liederen niet uit mijn mond krijgen en durf ze niet voor mijn verantwoording te nemen. Een groot deel van de christenheid op onze aardbol zingt ze wel, ontdekte ik toen ik bezig was liederen te selecteren voor de bundel ‘Hoop van alle volken’. Ik probeer in ieder geval het laatste lied van de dienst een vrolijke melodie te laten zijn. En ik doe wel concessies, gezien mijn uitgangspunt dat het toch om hún liturgie gaat (‘what a friend we have in Jesus’). Onze kerkbezoekers zijn heel gevoelig voor authenticiteit. Een collega van mij deed erg zijn best om popliederen te vinden, maar hij liep steeds achter wat ‘in’ was aan. Toen zeiden de gedetineerden laat maar, dominee, zing nou maar gewoon je eigen kerkliedjes. Hoe moeilijk soms ook, ik houd vast aan het zingen. In het zingen is er de mogelijkheid lof en dank onder woorden te brengen die je op een andere manier niet voor elkaar krijgt. En is er de verbondenheid met de kerk wereldwijd. Belangrijke momenten Een belangrijk momenten in de dienst is het aansteken van de kaarsjes: even een actief moment, waar de meesten gebruik van maken. Voor sommigen is het ‘t belangrijkste waarvoor ze komen. Ieder heeft in eigen hart daarvoor zijn redenen. Er is veel gevoel voor symboliek. De Bosniërs kussen daarbij de icoon. Zij maken verschil tussen witte en zwarte kaarshoudertjes. Sinds kort, op verzoek van een paar Zuid-Amerikaanse broeders, is er ook het geven van de vredeswens. Dit blijkt heel belangrijk, elkaar een hand geven en de vrede van Christus toewensen. Niet niks als je een paar gedetineerden zich ziet omdraaien om ook de bewaarders een hand te geven. In de zomertijd houden we ook vaak series diensten met een meer catechetisch element. Over het Onze Vader, de tien geboden, een aantal diensten over de psalmen, een serie over de Davidverhalen, Prediker, Jona enzovoort, zeg maar over de eerste beginselen. Soms lukt het om daarbij gedetineerden tekeningen of zelfs schilderijen te laten maken die een rol spelen in de uitleg. De preek is een levendig gebeuren, waarbij het regelmatig voorkomt dat er gereageerd wordt. Dat kan heel leuk en goed gaan, maar ook wel eens moeilijk zijn wanneer een van de gestoorde broeders met opmerkingen of vragen komen die ik niet begrijp. Gedichten spelen een grote rol. Dat komt omdat gedetineerden vaak zelf gedichten maken (ook wel eens op mijn vraag, bij een thema). En die eigen inbreng is van groot belang. Het is één van de ingangen naar de wezenlijke beleving waar ik naar streef in de diensten. Ik lees die altijd zelf voor, om ze optimaal tot hun recht te laten komen. Ik maak ook graag gebruik van literaire gedichten. Dat hangt samen met het feit dat ik hoofdzakelijk uitga van de polariteit angst en verlangen. Ik merk dat die voor mij vaak eerst komen, vóór de vragen van schuld en vergeving. Schuld en vergeving komen wel thematisch aan de orde, maar er is niet in iedere dienst een schuldbelijdenis en genadeverkondiging. Het gebed aan het begin van de dienst bevat kyrie-elementen, en daarin kan ook schuld verwoord worden, maar het krijgt in deze omgeving waar alles zo beladen kan klinken, niet zo’n zwaar accent. Dat is mijn eigen keuze. Voor wie voor het eerst iets over God hoort, wil ik niet het Godsbeeld oproepen van een God die allereerst kijkt naar alles wat wij misdoen. Ik gebruik graag het gebed: ‘niet om te oordelen zijt gij gekomen God, maar om te zoeken wat verloren is … om ons te redden als ons hart ons aanklaagt’ (Dienstboek, 86). Bij de gebeden is er ruimte voor eigen inbreng. Het formuleren van voorbeden is beter te doen dan van een dankgebed. Dat kwam ik in het dienstboek ook tegen: die sectie is aanmerkelijk korter dan het voorbedengedeelte. Het voorbeeld op bladzijde 786 is onmogelijk te gebruiken in een Huis van Bewaring. Ik houd niet van lappen tekst op de liturgie: het slaat mij altijd wat dood, ik wil het gebed niet van tevoren weten, ik wil gespitst zijn op wat er gezegd gaat worden, me overgeven aan het horen en zo meebeleven. Maar ook hier doe ik concessies, vanuit catechetisch oogpunt, en dan druk ik een gebedstekst wel af op de liturgie, zoals: O heer verberg U niet voor mij, wanneer ik mij verberg voor U, Gij weet het, ik ben bang voor U, ontwijk U, en verlang naar U. O, ga niet aan mijn hart voorbij. De liturgie gaat nogal eens mee naar cel, zeker wanneer de teksten aanspreken. Soms wordt de liturgie opgestuurd naar huis. Muziek is van belang. Vooral de kwaliteit ervan. We hebben drie uitstekende pianisten, die wanneer er geen solist is zelf iets instrumentaals spelen, dat ook even toelichten. Vaak is er applaus. Er is alleen ‘levende’ muziek. Waar radio en tv de hele dag aanstaan is het waardevol dat muziek een ‘gebeuren’ is, dat inspanning kost, iets toevoegt, echt is, communiceert. Een gedetineerde die gitaar speelt is een fantastische bijdrage. Gemeenschap Ik vier niet vaak avondmaal. Dat verschilt onder de collega’s sterk. Ik voel me sterk heen en weer geslingerd. Omdat er een minimum aan kennis nodig is om te weten wat je doet – kennis die vaak ontbreekt – omdat er een keuze-element zit in christen-zijn en ik mensen niet wil annexeren, omdat ik respect heb voor de dooptradities van de oude kerk (de lange weg die een dopeling aflegde alvorens toegelaten te worden tot de eucharistie), omdat er snel iets verstorends is (‘dominee, mag ik ook een tostie?’, de noodzaak de wijn te bewaken), omdat het tijd kost, tijd die toch al zo beperkt is. Ik vier het wel als mensen er zelf om vragen. Het roept dan ook beleving op die met woorden niet of moeilijk te bereiken is. Ik kom er niet goed uit. Ook door materiaal van collega’s in ons werkboek ben ik weer aan het denken gezet. Er is wel koffiedrinken na de kerk, met koek, en dat heeft in mijn beleving een agapè-element. De band met de kerk buiten wordt zichtbaar in de aanwezigheid van de vrijwilligers, die toch maar komen, op hun vrije zaterdagmorgen. Onbetaald. Zij maken een praatje tijdens de koffie, leven mee, sturen een kaartje, enzovoort. Ook buiten de kerkdiensten om is er soms behoefte aan liturgie. Bijvoorbeeld rond zeer persoonlijke schuld, bij rouw, of specifieker voor ons werk, rond suïcide en het weer in gebruik moeten nemen van een cel, waarin iemand suïcide heeft gepleegd. Resumerend kan ik zeggen dat gastvrijheid, verstaanbaarheid, herkenning en beleving van eigen leven én bijbelverhalen, zeg maar het existentiële element en daarbij ook het esthetische aspect, de schoonheid, sterk bepalend zijn voor hoe ik werk en wil werken. Daarin liggen, hoe verschillend evensong en bajesdienst ook zijn, constituerende verbindingen. Deze lezing is uitgesproken op 31 januari 2000