Pastoraat en biecht in de praktijk

door Jan van der Eijk Het is zo weinig, dat ik heb: Dit ene leven, dit kristal waaruit ik straal en vormen schep van ‘t wijd heelal. Dit ene leven, maar het is een knooppunt in het wereldweb, van waaruit alles anders is, dan ‘t anderen was of is of wezen zal. Albert Verwey, Kristal en fontein I Inleiding Allereerst wil ik graag wat vertellen over mijn eigen weg als pastor en hoe pastoraat voor mij één van de belangrijkste wortels werd van mijn predikantschap. Komend vanuit een persoonlijk moeilijke ouderlijk-gezinssituatie werd ik met vallen en opstaan predikant in Zeeuws-Vlaanderen. Naast het werk in de gemeenten kreeg ik het verzoek enerzijds ten behoeve van de classis mee te doen met weekenden voor jeugddienstcommissies in een vormingscentrum, anderzijds op verzoek van de provinciale diaconale consulent om het pastoraat op te zetten in een nieuwgebouwd ver-pleeghuis. Beide uiteenlopende werkvelden hebben met mijn achter-grond een ontwikkeling in gang gezet, die ik langzamerhand als creatief en verdiepend heb ervaren. In deze periode als jonge predi-kant speelde een korte klinisch pastorale training (KPV) op Hydepark onder leiding van Otto Zijlstra een wezenlijke rol. De Assense periode volgde, waarin vooral een beroep werd gedaan op het leerproces in liturgie, dat ik vanuit de Kloosterkerk in den Haag meegemaakt had, maar ook in de anderhalf jaar vicariaat in Utrecht, waar ik supervisie kreeg van Hans van der Werf, die in die jaren de overstap maakte van de Buurkerk naar de Dom. De combinatie liturgie en pastoraat werd zeker vruchtbaar, toen ik ging werken in de Bergkerk in Amersfoort. Ik kreeg de mogelijkheid de drie maanden training bij dr. Wybe Zijlstra te volgen. Het was het begin van een bijzondere vriendschap, die tot zijn sterven in 1997 bleef. Na de KPV volgden enige vervolgcursussen bij P. Zuidgeest in Vught, de voortgezette pastorale gespreksvoering bij Maarten Blom en Jan Bodisco Massink en tenslotte de voortgezette opleiding Contextueel Pastoraat bij Aat van Rhijn en Hanneke Meulink, afgerond met een summercourse van het Institute of Contextual Growth, die door de grondlegger Ivan B. Nagy gegeven werd in Chexbres. In deze leerweg leerde ik hoe bijbels-antropologische grondlijnen verstevigen als we verrassende inzichten uit de wereld van de psychotherapie toevoegen en deze ook in de praktijk van het pasto-rale gesprek kunnen vertalen. Daarbij gaat het niet om een diversiteit van methoden, die we kunnen gebruiken, maar in feite om de ontwik-keling van de ethische dimensie in het spoor van Buber en Levinas met het oog op het pastoraat.1 Enerzijds ga ik daarbij te werk met het familietherapeutische model van Nagy en wat ik leerde van groeps- en gezinstherapie rond b.v. de structuur van het slachtoffer- en het zondebok-mechanisme, anderzijds laat ik mij voeden door de mogelijk-heden die de kerk biedt binnen het pastoraat, zodat de biecht in het verlengde van het pastorale gesprek tot de mogelijkheden behoort. Bijbels-theologische keuze Daarbij valt te bedenken dat vanuit de systematische theologie geen methode af te leiden is. Je kunt een methode op haar grondslagen bevragen en haar uitgangspunten kritisch toetsen. Het leidt bij mij tot een innerlijke dialoog tussen de doener en de reflector in mij. Wie zo wil werken, kiest zijn uitgangspunt in het denken in generaties. Je probeert mensen te begrijpen in hun verbondenheid aan het verleden (voorgeslacht) en aan de toekomst (die na jou komen). Daarbij is te denken aan de wijze waarop het boek Genesis is gecomponeerd. Het heil wordt van geslacht op geslacht voortgeplant (toledoth naar uitleg van Frans Breukelman). Dat gaat echter niet natuurlijk, maar creatuurlijk, op een manier waarop het eigenlijk niet kan. Er is continuïteit in discontinuïteit en omgekeerd in de discontinuïteit ligt de continuïteit. Het heden is geen product van het verleden. Je zou Genesis grondig misverstaan, als je het boek zou lezen vanuit een causaliteitsbeginsel. Juist vanwege discontinuïteit wordt de verhou-ding tussen vader/moeder en zoon/dochter mogelijk. In die verhou-dingen wordt de humaniteit zichtbaar. Woorden als loyaliteit, gerech-tigheid (entitlement), rechtvaardigheid (justice) en dialoog komen in het vizier en krijgen een zin. Hetzelfde geldt min of meer voor broeder-schap en zusterschap, waanneer we deze niet als natuurlijke gegevens maar als ethische verhoudingen beschouwen. In het nieuwe testament krijgen ze ook deze strekking. De familie wordt als het ware leerschool voor humane verhoudingen. Loyaliteit Generaties zijn zo met elkaar verbonden door een onverbrekelijke band van loyaliteit, die ontstaat als existentiële verplichting, doordat ouders een kind leven gegeven hebben (dat heeft een kind niet gevraagd). Van de kant van kinderen, dat zij leven ontvangen hebben van geen andere dan deze ouders … Ook al zijn ze daar misschien niet altijd blij mee en voelen zij zich vreemden voor elkaar. Deze basis geeft wederkerigheid, geen symmetrie. Loyaliteit is geen gevoel. Het is een existentieel gegeven. Geen mens houdt op kind van een ouder te zijn, of ouder van een kind. Men noemt dat verticale loyaliteit. Niemand kan dan ook disloyaal worden. Wel kunnen verhoudingen zo worden geblokkeerd, dat zij zichtbaar lijken te worden verbroken en onzichtbaar kunnen worden. Bijvoorbeeld verticale loyaliteiten verhinderen horizontale loyaliteiten aan te gaan met vrienden, partners enzovoort. Dit betekent dan conflicten om de loyali-teit. Dimensies Naast loyaliteiten komen in dit voorbeeld vier dimensies van de relationele werkelijkheid aan de orde: 1 de dimensie van de feiten (historie en familiale context); 2 de dimensie van de psychologie (in welke kwetsbare fase bevindt deze mens zich); 3 de dimensie van de interacties: communicatie, patronen van informa-tie, netwerk van verhoudingen (wat maakt ten diepste dat het familie-proces werkt?); 4 de dimensie van de ethiek. Het menselijk systeem werkt constructief of destructief…. Het gaat om rechtvaardigheid van de verhoudingen. Mensen hebben een tekort of tegoed met elkaar, hoe dat ook wordt gevuld. Geen van buiten af opgelegde normen door bijvoorbeeld kerk en cultuur, maar door de balans van geven en ontvangen binnen existen-tiële relaties. Mensen hebben rechten en plichten, tegoed en schuld, vertrouwen en verdienste. Vanuit deze begrippen wordt de relationele werkelijkheid duidelijk. Recht en schuld Ieder mens wordt geboren met het recht op te groeien in een zorgzame en betrouwbare context. Hoe ouder het kind wordt, hoe meer de behoefte groeit om de zorgzaamheid, die hem of haar wordt geboden, te beantwoorden. Hij gaat zelf rechten verwerven door steeds meer verant-woor-delijkheid te gaan dragen. Een kind is dus niet alleen ontvanger van zorg, hij geeft ook zorg. Hij heeft het recht om te geven! Door de erkenning van deze rechten is het kind ook in staat iets goeds van zijn leven te maken. Wordt een kind daarentegen mishandeld of verwaarloosd dan neemt zijn recht op zorg toe. Hij heeft een groot tegoed. Maar bij wie moet hij dit verhalen? Van nature is hij loyaal naar zijn ouders. Wanneer de buitenwereld bijvoorbeeld wijst op falen of onbetrouwbaarheid van ouders, faalt deze dan ook (bijvoorbeeld: zij bewijzen dat mijn ouders niet deugen, ik zal bewijzen dat de maatschappij niet deugt). Eén van de oorzaken van jeugdcriminaliteit. Wie daarbij het leven, het lot of God aanklaagt, werkt destructief en haalt verhaal. Het kan zo destructief worden, dat onbe-kenden het slachtoffer kunnen worden. Schuld en schuldgevoel Er is een verschil tussen schuld en schuldgevoel. Wie onder schuldge-voel lijdt betaalt existentieel. Via onze schuldgevoelens worden we existentieel minder schuldig, juist omdat we die schuldgevoelens hebben. Wie schuldgevoelens weghaalt, of zegt… het valt wel mee, maakt iemand nog schuldiger. Iemand die de rechtvaardigheid van de menselijke orde schade heeft berokkend, en werkelijk iemand kwaad heeft gedaan, gaat existentieel gezien onder nog meer schuld gebukt door relativering. Schuld moet onder ogen gezien worden. Daarnaast kan er in de menselijke relaties iets worden gedaan. Er kan worden terugbetaald. Wanneer schuld onder ogen wordt gezien, gebeurt er iets existentieels. In dit verband is het aspect dat onder meer in Exodus 34: 6 en 7 genoemd wordt van belang: De Heer ging aan hem voorbij en riep: Here, Here God barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht. Hier gaat het erom dat God de schuldige niet voor onschuldig houdt, de ongerechtigheden der vaderen begrenst tot het derde of vierde geslacht. De bijbel spreekt hier in feite uit, dat problemen in het leven van volwassenen voor hun kinderen en kleinkinderen consequenties hebben. Tegenover de goedertierenheid (chesed), die ongelimiteerd doorwerkt staat hier de begrenzing van de gevolgen van de ongerechtigheid (awon), die doorwerkt tot in het derde geslacht. Er is schuld. Daar moet voor worden geboet, maar op een gegeven moment is het genoeg en moet het kunnen stoppen. Meu-link en Van Rhijn citeren in hun dissertatie4 hierbij een rabbijns commentaar, dat vertelt, hoe voor de verdienste de goedheid van God 2000 generaties doorgaat. Slechts vier generaties schreeu-wt de wandaad om recht. Dat wil zeggen: de geschiedenis, c.q. het verleden is niet ongedaan te maken. Ze is niet omkeerbaar. Vergeven is een uitermate gecompliceerd gebeuren. Vergeven is ook niet zomaar het verleden achter je laten. Het is niet zomaar loslaten. Ook niet via een formule of een absolvo te. Het is een uitermate gecompliceerd gebeuren. Je kunt het verleden niet zomaar achter je laten en ook b.v. mensen die je zijn voorgegaan loslaten. (zie de discussies bijvoorbeeld opnieuw door het bezoek van de Japanse keizer). Ook in het directe familiale gebeuren speelt dit een grote rol. Vergeven is immers het vinden van een nieuwe verhouding. Een verhouding waarbij de zwarte Piet uit het spel gehaald wordt. Zie onder andere Joh. 20: 23 waarin de Geest door de Opgestane Heer verbonden wordt met de mogelijkheid om mensen van hun schulden (hamartias) los te maken. Biecht Iemand helpen zijn/haar schuld ernstig te nemen, houdt voor de pastor dan ook in stilstaan bij het recht schuld te dragen en te verzoenen. Het vraagt van de pastor naast een intensieve zelfkennis over zijn eigen persoonlijkheid een attitude van meervoudige partij-digheid. Ieder is belangrijk. Niemands bestaansrecht mag worden betwist. Dit recht van bestaan geldt ook voor de schuldige, de zonde-bok en het slachtoffer in de verhoudingen. De pastor dient werkelijk bereid te zijn de ander te ontmoeten en tegen te komen. Er moet ruimte kunnen zijn voor echte betrouwbare zorg. Wanneer de rituele kern van de biecht losgemaakt wordt van het pastoraat (Oskamp) raakt de biecht in een crisis.5 Zij heeft dan geen zin. Opvallend is dat in het recente boek van Gerard Lukken, Rituelen in overvloed, een kritische bezinning op de plaats en de gestalte van het christelijk ritueel (Baarn 1999), slechts anderhalve pagina gewijd wordt aan de biecht, die oorspronkelijk in de R.K. kerk zo’n centrale plaats innam. De verwording van de biecht tot een machtsmiddel van de kerk heeft daar alles mee te maken. Terecht gaan mensen dan liever bij artsen, psychologen of psychiaters te biecht, waar de priester meer als rechter dan als pastor optreedt. Tenslotte noemt Lukken het pleidooi voor de privé-biecht in protestantse hoek aan de hand van artikelen van Rein Nauta en Hans Kronenburg. Met hen pleit hij voor het pastorale gesprek, waarin de pastor begeleider is van het geordend gesprek met jezelf. Deze lezing is een warm pleidooi voor deze stelling. Immers het gaat altijd weer om de balans tussen recht en verschuldigd zijn. Daar kan de pastor zijn bijdrage aan leveren. Daarbij gaat het niet om methoden of methodieken, maar om werkelijke zingevingsvragen. Zien wij in het gelaat van de ander ook de Ander, die zichzelf wordt voor God? Het is de taak van de pastor zodanig ruimte te creëren voor de ander, dat deze de ANDER kan ontmoeten. Dan ontstaat ook ruimte voor echt betrouwbare zorg. Noten: 1. A. Van Rijn, H. Meulink-Korf, De Context en de Ander (z.p. 1997), en diverse artikelen uit de cursus, en het blad Contextuele berichten. 2. M. van Rhijn, ‘Structuren van het slachtoffer en het zondebok-mecha-nisme (lezing ‘Zon en Schild’ 1983). 3. Leviticus 16. 4. Meulink/Van Rhijn, De Context, 15v, over rabbi Chananja. 5. Zie voor de biechtliturgie ook: P. Oskamp, Vergeef ons onze schulden … (= Werkboekjes voor de eredienst 20) (Zoetermeer 2000). Deze lezing is gehouden op 27 maart 20003