Notitie over beeld, bedehuis, eredienst

door Rudolf Boon A. Drie fundamentele opmerkingen vooraf 1. Uit de zeer genuanceerde terminologie met betrekking tot het beeld en het ‘beeldverbod’ (Ex. 20: 3-5a; Dtn. 5: 7-9a) in het Oude Testament valt op te maken, dat niet het beeld als zodanig, maar het oneigenlijke gebruik van het beeld in ‘’avodah zarah’ onvoorwaardelijk veroordeeld wordt (zie voor een samenvatting van de beeld-terminologie mijn artikel ‘Beeld en beeldverbod’ in Koheleth van april 1989). 2. Als iets uit het geschapene ten behoeve van de beeldvorming in de eredienst van de (joodse of christelijke) geloofsgemeenschap ‘apart’ wordt gezet, dan wordt dit daartoe ‘geheiligd’ met de toepasselijke ‘berachah’, en zo betrokken bij de dienst van de Eeuwige; daarmee overgezet uit de ‘natuur’ in de heilsgeschiedenis. 3. Met het oog op onze ‘condition humaine’ is voor een toenadering tot de geloofswerkelijkheid het beeld of het symbool onontbeerlijk. Zonder symbooltaal kunnen wij het niet stellen, omdat wij niet bij machte zijn ons onmiddellijk te verheffen tot de beschouwing der onzienlijke dingen. Op grond van Gen. 1: 31 is het geschapene waardig om de beelden te verschaffen, die ons kunnen geleiden tot de contemplatie van wat zij beduiden (Dionysius Areopagita, ‘De caelestie hierarchia’, II,2,3). B. Het bedehuis als beeld, van binnen en van buiten 1. Met de bouw van haar bedehuis zet de geloofsgemeenschap iets uit het geschapene ‘apart’, niet alleen als onderdak voor haar vieringen, maar ook als ‘monumentum’, gedenkteken, dat in zijn structuur uitbeeldt waartoe het geheiligd is; waartoe het dient. 2. Wat het inwendige betreft spitst die uitbeelding – of symboliek – zich toe in de wijze waarop de structuur bepaald wordt door de plaatsen waar de vieringen zich in de ruimte concentreren. Die plaatsen worden gemarkeerd door lutrijn en kansel, vont en mensa, oxaal en orgel. Door vormgeving kan dit zestal een profilering verkrijgen waardoor de functies worden uitgebeeld. 3. Een vereiste van zo’n vormgeving is herkenbaarheid. Dat wil zeggen: de vormen behoren niet ‘modieus’ te zijn, maar ‘traditioneel’ (wat het tegendeel is van traditionalistisch). ‘Modieus’ is wat morgen als ‘passé’ wordt ervaren; ‘traditioneel’ veronderstelt een bestendigheid van inspiratie van weleer tot eerlang. ‘Traditioneel in vormen zullen kandelaars en kronen zijn, het vaatwerk voor de mensa en de paramenten. 4. Hoe staat het met het beeldgehalte van het uitwendige? Betreft het een vrijstaand gebouw, dan zal het in zijn structuur uitbeelden waartoe het dient. Ook hier is herkenbaarheid vereist. 5. Zou het beeldgehalte of symboliek van het bedehuis soms scherper aan het licht komen, indien de aandacht voor structuur en architectuur van exterieur en interieur niet wordt afgeleid door sculptuur? Ik denk aan de ‘beeldloosheid’ van de vroege cisterciënser abdijkerk, de synagoge sedert de Middeleeuwen, het klassiek-hervormde kerkinterieur, de blanke kerkzaal van het ‘meeting house’. 6. De historische voorbeelden van ‘beeldloosheid’ in de zin van afwezigheid van plastiek doen een tweetal vragen rijzen. a. Schuilen achter de beeldenstorm van 1566 misschien nog andere oorzaken dan alleen oplopende sociaal-economische spanningen (‘Rampjaar ‘66’)? Neem het liturgisch bedrijf. De officiële eredienst en de uitmonstering van het kerkgebouw zijn een clericale aangelegenheid geworden. Het voornaamste van de Mis speelt zich af achter het koorhek. De geloofsbeleving bloeit in de binnenkamer van de gelovige. Het groeiende onbehagen onder het volk over de toegenomen machtspositie van de clerus in het kerkelijk leven uit zich in een aanval op de clericale santekraam. Het beeld wordt kennelijk niet meer ervaren als verbeelding van het geloofsgeheimenis, maar van de priesterheerschappij. Het iconoclasme wordt nog bevorderd door een devaluatie van het symbolisch gehalte van de beelden. Ze geraken namelijk zo gematerialiseerd, dat zij in de voorstellingen het geloofsgeheimenis niet meer kunnen representeren. Het zijn volkse taferelen geworden, soms met levensgrote gestalten als bij ‘Madame Tussaud’. Daarmee is de les vergeten van de theologia negativa (Gregorius van Nyssa, Dionysius Areopagita), die men steeds voor ogen moet houden bij de omgang met beeld en symbool. b. Opmerkelijk is, dat bepaalde vormen van moderne abstracte kunst affiniteit vertonen met de theologia negativa. Want in die kunst wordt het besef aangetroffen, dat het geheimenis van de Eeuwige – naar zijn wezen – voor ons een verborgenheid blijft, onnoembaar, niet in beelden uit te drukken. Abstracte kunst als ‘minimal art’ wordt gekenschetst als ‘iconoclasme’. Het ligt dan ook voor de hand, dat de abstractie affiniteit vertoont met tradities van ‘beeldloosheid’, in het bijzonder met de joodse (Barnett Newman) en de gereformeerde (Saenredam). In de ruimten van Quakers en Shakers is zelfs het beeldgehalte van het gebouw opgeheven, tezamen met het beeldgehalte van de eredienst. Er zijn treffende voorbeelden van moderne kerkbouw, die specima zijn van abstracte (bouw) kunst waarin het beeldgehalte van het gebouw markant naar voren komt: de kapel van Marc Rothko(witsch) te Houston (1991); de architect is van joodse herkomst; de ‘kerk aan het water’ en de ‘kerk van het licht’ van Tadao Ando (Japan); de abdijkerk van Benedictusberg te Vaals (uit de jaren 70) van Hans van der Laan. 7. Het beeldgehalte van het bedehuis is dan pas volledig, wanneer het ‘functioneert’. Dat wil zeggen: wanneer de gemeente is bijeen gekomen en de ontmoeting met de HEER gevierd wordt. Part en deel van het beeldgehalte zijn viering en vierenden. 8. Aan het beeldgehalte wordt nog een dimensie toegevoegd dankzij een gelijkenis van het bedehuis met tabernakel en tempel (zie mijn studie Op zoek naar de identiteit van de kerk uit 1970; die gelijkenis wordt treffend geïllustreerd door een mozaïek van de ark in de absisschelp van de kerk te Germigny uit de 9e eeuw). De gelijkenis met de misjkan herinnert de gemeente eraan, dat zij op weg is naar het komende Godsrijk. De gelijkenis met de hechal maakt het beeldgehalte tot een voorafschaduwing van dat Rijk, het Nieuwe Jeruzalem. De eschatologische inslag van de symboliek trekt onze aandacht. 9. Het beeldgehalte van het bedehuis kan slechts functioneren, indien de gemeente symboolgevoeligheid kent. Het behoort tot het pastoraat om de gemeente de ogen te openen voor het beeldgehalte van haar bedehuis en van haar eredienst. 10. Er is een aparte ruimte in het bedehuis waarin niet een vergaderde gemeente bijeenkomt, waarin een enkeling of een beperkte groep plaats neemt, voornamelijk voor persoonlijk gebed en meditatie: een bidkapel. Bij ontstentenis van een vergaderde gemeente in een dienst van Schrift en Tafel of rond de Vont ontbreekt dus het beeldgehalte van viering en vierenden (zie sub 7). Daarom zal er behoefte zijn (naast een sobere inrichting van de bidkapel: tafel met bijbel, gebedenboek, liedboek, kaarsen, lampen, knielbanken en stoelen) aan een meditatief oriëntatiepunt: een tweedimensionale voorstelleng – als een icoon – of een plastiek of een symbool. Ook hier is weer de eis van herkenbaarheid en ‘traditionaliteit’. De voorstelling moet een symboolkarakter hebben, uitnodigend als een geleide naar een toenadering door meditatie en gebed tot de onzichtbare geloofswerkelijkheid; een voorafschaduwing van de toekomende eeuw, paschaal en eschatologisch gericht. 11. Een tweede aparte ruimte kan een ambulatorium zijn, voor processies, bijvoorbeeld op Palmzondag. Zo’n ruimte vraagt om een voorstellingsreeks als geleide bij een meditatieve ommegang. De voorstellingen kunnen ontleend zijn aan themata van de feestdagen, tezamen met hun oud-testamentische antecedenten. 12. Evident is, dat de voorstellingen in bidkapel en ambulatorium figuratief moeten zijn. Is het oriëntatiepunt in de bidkapel een symbool, dan zal dit uiteraard abstract zijn. Hoe zullen keuze van en opdracht aan de kunstenaar verlopen? Van haar/hem mag worden verwacht, zich ervan bewust te zijn waartoe het kunstwerk dient op de liturgische plaats waar het zal worden gesitueerd. Zij/hij zal zich hebben verdiept in de bijbelse verkondiging en weet hebben van het liturgisch jaar. Zij/hij zal op de hoogte zijn van de Europese kunstgeschiedenis. Tenslotte is het van het grootste belang, dat zij/hij bereid zal zijn met de gemeente in overleg te treden en van gedachten te wisselen. Deze notitie is besproken op 30 maart 1998